zondag 8 juli 2012

Binet ,L. HHhH (De Aanslag Op Heydrich)


Praag anno 2012

Synagoge op sabbath

begraafplaats Kafka





Boekbespreking 

Auteur  Laurent Binet

boektitel HHhH


Laurent Binet
Prix Goncourt du premier roman
Prix des Lecteurs – selection 2011
Op 27 mei 2012 was ik met mijn zoon in Praag, de dag waarop zeventig jaar  geleden Gabcik, de Slowaak en Kubis , de Tsjech de aanslag op Heydrich, de SS-generaal en Nazi-Protectoraathouder  pleegden. Ik had het boek van Laurent Binet HHhH nog niet gelezen. Reden om nog eens terug te gaan naar de crypte van de kerk  waar de beide parachtisten met  zeven andere verzetslieden het twintig dagen tegen het geweld van 700 SS-ers hebben uitgehouden. De schatting is dat in totaal ongeveer 1300 mensen bij SS-represailles zijn omgebracht, waaronder alle inwoners van het dorp Lidice dat met de grond gelijk is gemaakt.
Alleen de titel al  van het boek  is walgelijk, als je weet dat het staat voor Himmlers Hirn heisst Heydrich.  Stap erover heen. Liever had ik gelezen Gabcik en Kubis, de Aanslag in Praag, 1942. Walgelijk zoals H.  zelf. Ook de wikkel met 80.000  verkochte exemplaren bij de Nederlandse vertaling weerhield me van de aanschaf.( Voor een boek  misschien een aanbeveling, voor een roman vaak niet.). Ik las het boek tweemaal, Frans blijft voor mij niet eenvoudig; ik moest lucarne , dakraam, echt opzoeken)
Binet spreekt zelf van boek, maar suggereert ook dat hij een roman schrijft. Dat doet hij goed door zijn keuzes, aarzelingen, opties bij het schrijven te étaleren en bij de lezer neer te leggen. Of de Mercedes van H.  zwart of groen en die in het museum een replica is – wat doet het ertoe, tenzij  de schrijver een feitelijk waar verhaal wil vertellen, maar dan is het naar mijn gevoel geen roman (meer) of toch -  een historische roman?  Feiten, geen fictie, een historisch document misschien ? Nee, zoals Sebald in een interview zegt:  ‘(Aber) das Geschriebene ist ja kein wahres Dokument.’ Binet kiest wel objectieve gegevens uit om toch enige psychologie te bedrijven zodat het een roman lijkt.  Ik denk aan de onbekendheid met de plattegrond van Praag, waardoor Gabcik na de aanslag  verdwaalt,  aan de stengun die weigert, aan het Duits waarmee de vrouw een auto ‘vordert’ voor de de gewonde H., aan de ellendige kou in de crypte van de kerk. Gegevens waarmee de verbeelding aan het werk kan.
Het is de vraag of een aanslag, waarvan de afloop historisch vast staat,  zich leent voor een roman. Mulisch geeft het antwoord. Maar Binet wil meer of nog iets anders, nl. ook Heydrich, het blonde beest, de slager van Praag, in al zijn onbegrijpelijke weerzinwekkendheid neerzetten. (Mulisch deed dat apart met Eichmann in ‘de Zaak 61’). Waarschijnlijk heeft Binet daarbij teveel gedacht aan het success van Jonathan Littells les Bienveillantes – een letterlijk misselijk makend boek waarin deze het moorden achter het oostfront vanuit een SS-officier heeft beschreven. Is dat literair sterker? Ik heb het weg gelegd. Misschien had Binet zich beter kunnen spiegelen aan het boek van Jiri Weil, waarvan ik alleen nog het (prijzend) voorwoord van Philip Roth heb gelezen.
Wat me wel bevalt bij de aanpak van Binet is het verbinden van het schrijven met dingen, gebeurtenissen uit zijn eigen leven zoals zijn liefde voor Praag, Natacha en de mooie Slowaakse meisjes. Dat verlevendigt het verleden, actualiseert het, zij het ook weer met ondergeschikte aspecten in het verhaal. Soms doet het narcistisch aan en irriteert dat. Maar toch. ( Ik bezit een  exemplaar ( nummer zoek ik op)  van ‘de Stilte der Zee’ van Vercors,  klandestien in de oorlog uitgegeven door de Bezige Bij  - afkomstig uit mijn vaders erfenis. Om even een proeve van verbinding met Binets boek te geven )
Het dilemma Dichtung und Wahrheit heeft Binet misschien willen oplossen door zowel over Heydrich als over de Aanslag te schrijven in één waar gebeurd verhaal. Een thriller in historische setting of een ware gebeurtenis in een thriller-achtige omlijsting? ( Het blijft een vreemd, modern? verschijnsel om ook in de literatuur, zoals men het noemt, een waar gebeurd verhaal te willen schrijven.  Literatuur is dan geen ‘kunst’ meer maar zoiets als familiekiekjes maken in de fotografie.)  Ik vind dat Malaparte met Kaputt er beter in geslaagd is het fascistisch milieu van angst en wreedheid, ordinaire protserigheid en sluwheid in literatuur vorm te geven. Om nog maar te zwijgen van het meesterlijke werk Memoirs of an Anti-Semite van Gregor von Rezzori, dat geen antisemitisch boek  is wat de titel misschien suggereert, maar heel goed invoelbaar maakt hoe absurd en dwaas en stompzinnig anti-semitisme  is en daarmee heel genuanceerd het onderhuidse gedachtegoed van het Interbellum en het ouder (midden)Europa schetst in de vorm van een vijftal portretten.  Net als Littell gebruikt hij de ik-vorm voor de hoofdpersonen. Zijn vocabulair is bovendien ongelooflijk rijk, zijn taal perfect om de nuances uit te drukken. Toegegeven, Binet sluit beter aan bij het hedendaagse (vluchtige) tijdsbesef – altijd haast, altijd actie, weinig reflectief om het maar eens met een understatement te zeggen. De verleiding om een thriller te schrijven is onweerstaanbaar?
Als schrijver hoopt Binet aan het onvermijdelijke, de dood van Gabcik en Kubis , te ontkomen.  H. voltrekt  zijn eigen ondergang, laat de Mercedes stoppen en begint  te schieten. Binet hoeft niets te doen.
Tenslotte, nog inhoudelijk.  Gabcik en Kubis zijn  de rechtvaardigen die met de inzet van het eigen leven weliswaar recht willen doen maar het onheil niet (kunnen) keren. Dat is de immense tragiek.  Lidice en Putten (in Nederland) –  zijn daarvan voor altijd  het symbool.
Blijft nog het abjecte, waarvan H. letterlijk de belichaming is. En verder. Wie zijn ooit ter verantwoording geroepen? Wie zijn er berecht? Wie hebben erkend dat ze in opdracht de trekker hebben overgehaald? Ja, wie?
Waarom het ploertendom eerst hoogtij moet vieren alvorens mensen tot bezinning komen, blijft een onbeantwoorde vraag.  Het uitblijven van het antwoord is de schaduw die over ons leven hangt.

woensdag 20 juni 2012

maandag 26 maart 2012

Boekbespreking Een dochter van Epicurus








Een dochter van Epicurus

Boek bespreking door A.R.Cools


Gisteren heb ik je boek ademloos uitgelezen. Je bent erin geslaagd een méér dan gewoon mooi boek te schrijven: vorm, structuur en inhoud zijn meesterlijk. Je roept een sfeer op, die zijn weerga niet heeft. Het spel tussen geheugen en verbeelding is fascinerend en knap. De stijl is anders dan die van je vorige werken: rijper, poëtischer, evenwichtiger en Nescio-achtiger. Je woordenspel is prachtig. Zo lees ik glimlachend: de welvaartsstaat op stelten, de verzorgingsstaat op poten. Het zit vol schitterende vondsten zoals bijvoorbeeld je opmerking over de twee E.E.'s van De Groot, en dat gaat onophoudelijk door: echt genieten! 

Ook inhoudelijk spreekt de beschrijving van de gebeurtenissen in de betreffende jaren mij direct aan. Je weet de optredende veranderingen in een spannend perspectief te plaatsen: ze beginnen weer tot leven te komen en herinneringen op te roepen, die in de loop van de tijd vervaagd zijn. Zo zie ik ons nog samen wegrennen voor de politiepaarden, die ons tijdens onze demonstratie" tegen de Hongaarse opstand tegen de muren van de huizen aandrukten.

Indrukwekkend hoe je je vriendschap met Bette ervaren hebt.  Je hebt haar prachtig neergezet!

zaterdag 24 maart 2012

Een dochter van Epicurus

Boekenweek, over Vriendschap

Book  Review door Barend Stofkoper


 Een dochter van Epicurus


Wat ik er in vond:

Tijdsbeelden, maatschappelijke en politieke ontwikkelingen, menselijke gevoelens, culturele referenties, beschouwingen, vaak treffend gesteld, een enkele keer ietwat raadselachtig,  soms heel fijnzinnig en vlijmscherpe beeldende beschrijvingen van alledaagse zaken.  En dat alles, gemakkelijk leesbaar, samengebald in  169 bladzijden!

Voor mij vanuit mijn overzeese jeugd tot 1961, Nederland "kennend" vanuit de optiek van ouders, leraren, etc. levend in het (voor)oorlogse verleden en enkele korte verlofimpressies en mijn studietijd in Nederland die ik ervaren heb als vreemdeling in afwachting de wijde wereld in te kunnen gaan,.vond ik er deels  een herkenning en deels een aanvulling in van het beeld dat ik van Nederland heb.

Trouwens je had dit jaar dit jaar op het boekenbal in Amsterdam moeten zijn, stond in het teken van ...vriendschap! 

Pracht werk

woensdag 23 juni 2010

Tanizaki, Lof der Schaduw, (Japans auteur)







Auteur Junichiro Tanizaki. 

Boektitel Lof der Schaduw

Wie zich wil verdiepen in de traditionele Japanse cultuur en esthetiek, zal aan het lezen van 'Lof der Schaduw'(1) van Junichiro Tanizaki (1886 1965) veel genoegen beleven. Het is een 'vooroorlogs' essay van de Japanse nobelprijswinnaar voor litteratuur, geschreven onder de titel In'ei raisan in 1933/34. Het is gelezen in de vertaling (1993) van Piet de Vroomen en herhaalde malen herlezen als intrigerende beschouwing rondom het thema "dát is onze manier van denken." (blz 151) Gelezen ook als verkenning van een esthetiek van een authentiek schoonheidsideaal, dat de gehele cultuur van het 'oude' Japan doorwasemde.

Hechte verbondenheid met de traditie en onafwendbaarheid van de modernisering verwestersing van het oude Japan vormen het spanningsveld, waarin dit jeugdessay destijds geschreven is. Deze grote, abstracte woorden en begrippen passen eigenlijk niet bij de sobere stijl van het essay. Want de schrijver begint gewoon te vertellen wat er zoal van pas komt bij het bouwen en inrichten van een huis in japanse traditie. Waaraan je moet denken bij het leggen van leidingen, het inzetten van ramen en het kiezen van een verwarmingssysteem. 

Wie van architectuur en bouwkunst houdt, kan zijn hart ophalen en wordt zachtjes ingesponnen in het fijnzinnige betoog over de schoonheid van het sluimerende duister, dat zich diep in de Japanse cultuur heeft genesteld. En al vertellend brengt Tanizaki het spel ter sprake van aarzelend licht en aldoordringend donker in het Japanse huis met zijn esthetische geometrie van tatami matten en papieren schuifdeuren. Zonder nadruk tovert hij uit het binnenste van het huis het donker en zijn schaduwen tevoorschijn. De overstekende dakranden en schaduwgangen van oude tempels en grote boerderijen, het gebruik van lichtabsorberend papier en de veelvoorkomende donkere nis met rolschilderij in het gewone huis, het zijn alle elementen van een traditioneel en oorspronkelijk concept van bouwen en wonen. Tanizaki vergelijkt het traditionele huis in zijn schaduwspel van licht en donker met een gewassen Japanse penseeltekening.

Al lezend wint het geheim van het duister en zijn nuanceringen, de schaduwen aan kracht. Het rijk van de schaduw dringt door in bijna alle levensdomeinen en geeft vorm aan talloze facetten van de Japanse cultuur. Het is een zachte, verstillende en milde vormkracht, die het gewone leven ontrukt aan zijn vlakke banaliteit en een geheimvolle dimensie aan het dagelijks leven geeft. Wonen, eten en drinken, bidden en vereren, toneelspel en sport worden dankzij het alom aanwezige duister in zijn scala van lichtnuances tot momenten van bezinning en meditatie.

Het drinken van soep uit een houten kom van zwart lakwerk bijvoorbeeld beschrijft hij als een bijna bedwelmend, sensueel ritueel. Alle zintuigen worden vanuit het donker lakwerk aangesproken tot zelfs de tastzin toe, die zich gestreeld weet door het lichtgewicht van de kom en de voelbaarheid van de beweeglijke, warme soep in de donkere kom. Vergelijk dat eens, zegt hij, met het ondiepe bleke soepbord uit de westerse tafelcultuur, er is nauwelijks een sprekender voorbeeld van 'barbaarse' smaak, waaraan elk gevoel voor schoonheid en de zinnen ontbreekt.


De kracht van de Japanse vormgeving en ook van het later ontwikkelde industrial design is vooral gelegen in de aandacht van de Japanse ontwerper voor deze gelijktijdige ontvankelijkheid van alle menselijke zintuigen. Bij het waarderen van een gebruiksvoorwerp werken, in deze zienswijze, de zintuigen op elkaar in, geven een totaal oordeel, dat de uiteindelijke smaak bepaalt. Oor, oog, neus en hand onderzoeken alle eigenschappen, die de kwaliteit van het product uitmaken. De visie van geïnte- greerde gewaarwording heeft in wezen een experimenteel en verkennend karakter, dat ruimte geeft aan een nagenoeg ongebreidelde vernieuwingskracht.

Zijn het na de Tweede Wereldoorlog ook niet de zgn. experimentele dichters in Nederland geweest, die in hun rijmloze verzen voor het eerst de gewaarwordingen van de verschillende zintuigen met elkaar verwisselden en verknoopten? Waren zij het niet, die de Nederlandse litteratuur fundamenteel vernieuwden met hun 'experimenten'?

Er is een vormgevingsinstituut in Japan dat een algemene wetenschappelijke basis wil leggen onder de kunst van vormgeving en industrial design. Langzamerhand is Japan zover als Tanizaki in zijn essay nog slechts kon verzuchten en ook een beetje als gedachte opwierp:  bezig een wetenschap te ontwikkelen op basis van oorspronkelijk Japanse concepten, waarden en zienswijzen.

Tanizaki roept uit: "hoe anders alles eruit zou zien als wij in het Oosten onze eigen natuurwetenschappen zouden hebben.' En 'Het is volstrekt aannemelijk dat het Oosten een geheel eigen technologie had kunnen openen.'(blz 26) Een verzuchting destijds en een toekomst droom tegelijkertijd, die nu aan het eind van de twintigste eeuw met zijn overload aan technisch fijnzinnige producten van het Japans vernuft in vervulling lijkt te gaan.

Traditie blijkt sterker dan Tanizaki ooit vermoed heeft en culturele grondideeën zijn bestendiger gebleken door hun vaak impliciete aanwezigheid in de opvoeding. Denk eens aan de miniaturisering van industriële producten in Japan, die daar verder is voortgeschreden dan elders in de wereld dankzij aloude tradities, zoals reeds herkenbaar in b.v. de bonsai-cultuur, de teelt van dwergboompjes. De verkleining van de werkelijkheid in een model of afbeelding vergroot paradoxaal de greep van de mens op zijn omgeving. Het maakt de werkelijkheid overzichtelijker of beter gezegd zichtbaar in één oogopslag.

Miniaturisering, de verkleining vestigt primair de blik op de kwaliteit van het (gebruiks)voorwerp en zijn ontwerp. Hieruit laat zich ook in hoge mate de hoogwaardigheid verklaren van het Japanse product, waarin zoveel aandacht wordt gegeven aan het functionele karakter, de functionele eisen van het ontwerp. De Japanners waren de eersten, die het kwaliteitsdenken zoals in de V.S ontwikkeld daadwerkelijk hebben toegepast in hun industrie. Miniaturisering, schoonheid en kwaliteit zijn nauw met elkaar verweven. 

De Franse filosoof en cultureel anthropoloog Claude Lévi-Strauss (2) zegt in zijn boek 'Het Wilde Denken' (La Pensée Sauvage) 'In tegenstelling tot wat er gebeurt wanneer we een ding of een wezen in zijn ware grootte proberen te kennen, gaat in het verkleinde model de kennis van het geheel vooraf aan die van de delen. En zelfs wanneer dit een illusie is, ligt de betekenis van dit proces hierin, dat het deze illusie schept en in stand houdt, een illusie die aan het verstand en het gevoel een genoegen verschaft dat alleen hierom al esthetisch genoemd kan worden.'(blz 37 in de vertaling 'Het Wilde Denken', van Vogelaar en ten Brummelhuis) Schoonheidservaring, die we vaak ondergaan bij producten van Japanse hand.

De grote liefde van Japanners voor de fotografie stoelt op een verwante techniek, waardoor een nauwkeuriger ruimtelijk beeld, een scherper beeld van de ruimte wordt verkregen. Het fotografisch 'inramen' van de werkelijkheid heeft een soortgelijke werking als miniaturisering: het maakt deel en geheel in hun onderlinge wisselwerking scherper zichtbaar. Het versterkt het gevoel voor geometrie dat ook zo feilloos tot uitdrukking komt bij het inrichten van open ruimte, van gebouwen, huizen en steden. Het aloude gebruik van de overal in Japanse huizen gebruikte tatami mat als basismeeteenheid in de bouw is even praktisch als sensitief. Evenwicht en harmonie lijken hierdoor 'natuurlijke' eigenschappen in de binnenhuisarchitectuur en stedenbouw en maken deze zo vanzelfsprekend inpasbaar in de Japanse natuur. Gevoel voor maat en verhoudingen heeft een rustgevende werking op de mens.

Een ander sprekend voorbeeld van miniaturisering en schoonheidsideaal is de Japanse tuin. Deze is een oord van evenwicht en rust zo goed als ook een klassiek kunst werk, dat de Japanse geest onverminderd beroert en in beweging brengen kan. Functie en schoonheid, geestelijk en stoffelijk is de tuin een oord voor heel de mens. De tuin met zijn rotspartijen, bruggetjes en waterstroompjes is, zoals Tanazaki verder in zijn essay benadrukt, een miniatuur van de Japanse natuur met zijn bergen en watervallen. Het is een microkosmos. Huis en tuin vormen één geheel, gaan door de openheid van de bouwstijl van het huis met zijn overwegend horizontale accenten in elkaar over; cultuur en natuur zijn verbonden, verweven tot eenheid.
Kenmerkend voor deze eenheid is verder het veelvuldig en veelzijdig gebruik van hout in de Japanse cultuur. Tanizaki zingt op vele bladzijden de lof van hout als materiaal voor gebruiksvoorwerpen, voor het huis en niet in de laatste plaats als grondstof voor het eigen hosho papier dat 'lijkt het licht in zich op te nemen, lijkt zich er zacht omheen te vouwen als het donzige oppervlak van een eerste sneeuwval.'(blz 20)

De Amerikaanse historicus Daniel Boorstin (3) spreekt in zijn boek 'The Creators', vertaald als de scheppende mens, zelfs over de triomf van het hout in Japan. Niet steen zoals in het Westen, maar hout is het bouwmateriaal van de Shinto bouwwerken en heiligdommen in het vroege en latere Japan. De Japanse architecten van weleer bonden niet de strijd met de natuur aan, wilden niet de elementen trotseren door het gebruik van steen, maar gaven door toepassing van hout 'organisch' mee met de cyclische kracht der natuur, der seizoenen. De opgave was niet zozeer een pogen de tijd te overwinnen en de menselijke cultuur te vereeuwigen, als wel om zich vanuit de cultuur te voegen in het ritme van de natuur.

Een klassiek houten bouwwerk zoals b.v. het Shinto heiligdom in Ise, is naar materiaal dan ook niet ouder dan gemiddeld twintig jaar, zegt Boorstin. Monumentenzorg in de westerse zin van restauratie van heiligdommen bestaat niet, wel echter een soms eeuwenoude herbouwtraditie volgens welke de oorspronkelijke gebouwen worden hernieuwd, herbouwd naar een afgewogen en gestileerd patroon en ritueel, waarin zorgvuldig cipressebomen worden geselecteerd en bewerkt tot bouwmateriaal op oorspronkelijke maat voor het heiligdom. Traditie, ambacht, vakmanschap, kwaliteit en ritueel voegen zich ineen tot een onvergelijkbaar authentiek concept van herlevend bouwen.

De traditioneel ingestelde Japanner heeft een voorkeur voor voorwerpen, die in het dagelijks gebruik een patina hebben gekregen, een troebelheid, die ook de ivoorkleurige Japanse huid kenmerkt, zegt Tanizaki. De troebelheid belichaamt de inwerking van de tijd. Tanizaki spreekt poëtisch van 'bewolkte kleuren, aarzelend en breekbaar licht, van doffe glans, de luister van vroeger en zelfs van 'de gloed van vuil'. (blz 22) 

Het is als heeft de Nederlandse dichter Chris van Geel hier weet van gehad, toen hij zijn korte gedichtje "Oud Vuil" schreef, waarvan de Belgische dichter Paul Claes, volgens de literatuurcriticus Hugo Brems (4) in 'De rentmeester van het Paradijs', ontdekte dat het ondanks zijn verhullende vormgeving, een perfecte haiku een kenmerkende Japanse versvorm zou zijn.

Oud vuil, omdat het zo mooi ritselt
een vreemde stem heeft in de wind.


of als haiku geschreven:

      Oud vuil, omdat het
      zo mooi ritselt een vreemde
      stem heeft in de wind.

Oud vuil is alom aanwezig, het komt van ergens, waar de wind het stem geeft. Hieruit spreekt een zinnelijke bele ving van de wereld in al zijn nuances en gradaties, zoals deze aan de oppervlakte komen, aan het licht treden uit het donker, de duisternis, de achterkant en binnenzijde van het bestaan. Het besef van een innerlijk leven, dat zich schuil houdt, maar herkenbaar is en zich toont aan de buitenkant, de oppervlakte van de dingen, de huid van het menselijk lichaam. Het oppervlak als raakvlak van innerlijke en uiterlijke wereld, waarin zich de roerselen van de ziel verraden en levenservaringen hun neerslag vinden.

De troebelheid van de jade steen en van de japanse huid, waarover Tanizaki schrijft, roept een gevoel van geheimzinnigheid op, van erotische beleving. Zoals het zwart, het duister gulpt uit de wijde mouwen van de kimono's van vrouwen, zo stroomt het leven uit het geheim van de veel gekoesterde schaduw in de japanse cultuur. De schaduw, die, zoals Ton Lemaire (5) schrijft in 'Filosofie van het landschap', een reserve aan betekenis vertegenwoordigt, die nog te raden geeft over de ware identiteit van het ding. Het is de schaduw die het ding  verbindt met zijn omgeving, met het zijn waaruit het verschijnt. 'Wij vinden schoonheid,' schrijft Tanizaki,'niet in de dingen zelf, maar in de schaduwpatronen, in het licht en het donker, dat het ene ding bij het andere veroorzaakt.'

Het 'spelonkachtige' donker lijkt de bron waaraan de Japanse cultuur ontspringt en waarin zij ook weer verdwijnt. Maar het donker wordt bedreigd door het licht van het westen, dat nuances en schaduwen verdrijft. Letterlijk en figuurlijk is de westerse mens altijd op ontdekkingsreis, op zoek naar het nieuwe, naar licht in de wereld. Hij wil verkennen, onderzoeken, onthullen en openen. Het verborgene aan het licht brengen. De aanbidding van het licht in de westerse cultuur vaagt de aandacht voor het patina weg, doet het oppervlak van de wereld glanzen, stralen, spiegelen en verblinden. Het leven verhardt, de huid trekt strak en de porieën schroeien dicht. Innerlijk en uiterlijk verkleven, verliezen structuur en tint.

Of met de eigen woorden van Tanizaki:' maar de progressieve westerling is er altijd op uit zijn lot te verbeteren. Van kaars tot olielamp, van olielamp tot gaslicht, van gaslicht tot gloeilamp zijn zoektocht naar een steeds helderder licht houdt nooit op. Hij spaart pijn noch moeite om zelfs de kleinste schaduw uit te roeien.' (blz 153)

In het Westen lijkt het uur van de middagzon aangebroken, mens en ding worden blootgesteld aan het volle licht vanuit het zenith, schaduwen verkorten en verbleken. Ook de mens dreigt zijn schaduw te verliezen en wordt onder het helle licht tot glanzend ding, valt samen met zichzelf en verdwijnt. Deze beproeving van het 'schaduwloze landschap', dit 'denken van de middag' is waarschijnlijk een kunstenaar als van Gogh fataal geworden, zegt Lemaire. Dat is ook wat Tanizaki vreest.

Maar als er één land is dat zijn scheppend vermogen heeft bewaard en de storm van licht zelfs de vuurstorm van de eerste atoombommen van het Westen heeft verdragen is het Japan, dat zich onver moeibaar vernieuwt onder de schaduw van eigen, authentieke en lang gekoesterde denkbeelden, levenspatronen en schoonheidservaringen.

Tanizaki kan, hoezeer hij ook het moderne aanzien van zijn hel verlichte en overvolle land zou verfoeien, daarom toch met een gerust hart sluimeren in de schaduw van de nog immer bloeiende Japanse cultuur.




(1) Tanizaki, Junichiro: Lof der Schaduw. Vertaald door Pim de Vroomen. Meulenhof, Amsterdam tweede druk 1994.

(2) Lévi Strauss, Claude: Het Wilde Denken. Vertaald door Vogelaar en ten Brummelhuis. Meulenhof, Amsterdam vierde druk 1991

(3) Boorstin, Daniel: De scheppende Mens. artistieke doorbraken in de wereldgeschiedenis. Vertaald door Paul Syriër. Agon 1993

(4) Brems, Hugo: De rentmeester van het paradijs. Manteau Antwerpen       1986

(5) Lemaire, Ton: Filosofie van het landschap. Ambo n.v. Bilthoven       1970

De Uitvreter, Titaantjes, Dichterje, Menetekel






De auteur: Nescio


 Titel van het Boek De Uitvreter, Titaanjes etc

Nescio, voor één keer dan in vloeiende zinnen – bij wijze van brief. Om het een beetje begrijpelijk te houden en verteerbaar ook. Voor de gewone mensen, die vroeg opstaan met of zonder zorgen, tot ook deze dag weer voorbij is. Er waait muziek van Gorter's verzen en socialisme doorheen. Er wordt een liedje gefloten. En er is de mystiek van het Hollandse land, zoals in de gedichten van Chris van Geel - nietwaar?  Het is er nog stil in deze verhalen. Hoor je tussen de regels ook Reve en Schierbeek en God niet te vergeten en zijn goedertieren? Soms denk je dat Hij alleen in Holland kan wonen zoals daar de zon ondergaat over de loodsen en slootjes, de weilanden en de kerktorentjes. Daarom alleen al wil je wel grienen. Want je weet dat het zo niet is, niet kan en toch uiteindelijk zo is, Koekebakker met die onmiskenbare, aardige jongens Bavink en Hoyer en Bekker, Verschuren en Termaat, de oude en de jonge.

Waar zit het hem dan in? Dat dit zo is, verhaal over het kleine, over weinig, over bijna niets zou ik zeggen. Dat het van eenzelfde soort is als het werk van Elschot, zo zakelijk en ontroerend. Dat is waar. Maar dat helpt niet, maakt je niet wijzer. Gelukkig maar. Evenmin als die van Reve of Schierbeek - latere verwanten. Nog het meest Schierbeek, nuchter, humoristisch en met liefde voor het gepriegel van de mensen onder elkaar in dit wereldje - ook een mier trap je niet dood.

En dan te bedenken, dat hij schrijft als om de hoek, aan de Marne de oorlog woedt, god zelf door de loopgraven woelt alsof er op deze aarde geen eeuwigheid kan zijn. Slechts even worden Pruisen en ergens ook de keizer genoemd. En in de ondertitel van Dichtertje wordt het derde oorlogsjaar vermeld met het veelzeggend citaat: bellum transit, amor manet. Is het ook en juist daarom dat hij zo ontroerend dat ene, nog veilige plekje, Holland met zoveel tederheid beschrijft?

Is het toch nostalgie, dit zo mooi te vinden? Nostalgie naar het Holland met de slootjes, de bruggetjes, de weilanden, de Cunera-toren en het Binnen- en Buiten-IJ? Holland zonder flats, fly-overs en vliegmachines in de Haarlemmermeer. Het zal zeker. Ik heb in de kast een boekje staan met de schilderijtjes van Sal Meijer uit 't Gooi en Amsterdam van toen. (Ik houd niet van poezen, alleen van die van Sal wel). En ook de schilderijtjes van latere Nederlandse naïeve schilders - verwanten van Nescio, verliefden van het landschap. Zonder de wolken van de oude Hollandse meesters te vergeten. Want altijd is er licht in het land van Nescio, op elk blad bijna.

En dat licht maakt het land ook mythisch. Als Koekebakker een sigaar opsteekt, Japi staart over het water, Hoyer op reis is en Bavink aan het schilderen - hoe vaak het ook gebeurt, het lijkt telkens de eerste keer. Het is tegelijkertijd ook altijd het verleden, waarover 't gaat: herinnering. Maar toch... elke dag is het scheppingsdag. Het gebeurt telkens allemaal voor het eerst, ook al herhaalt God zich dag in dag uit, zoals hij die lichtstreep trekt over de zee naar de einder. De gaslantaarn, de stoof, de kolenkachel, het stenen pijpje, dat alles mag verdwenen zijn, maar de jongens zijn er voor eeuwig in dit land van almaar, oneindig stromende rivieren, lichtschitterende slootjes en rode en gele zonnen.

Mythisch ook, omdat de wereld niet verandert, zichzelf voortdurend herhaalt, ondanks de idealen. Maar die lijden schipbreuk op de onveranderlijke werkelijkheid van alledag. Het milde cynisme is eerder een 'boeddhistsche' aanvaarding, waarborg voor behoud van het klein(st)e  - denk aan de talloze verkleinwoordjes - en voor de eeuwigheid.

Is zijn werk ooit vertaald, in welke taal en door wie? Ik weet het niet. In het Duits of Frans wordt het niets, als je het mij vraagt. Dat wordt gezwijmel of een steriele, mathematische franse tuin. Die begrijpen dit niet, dit levensgevoel. Het Engels maakt een kansje, hoewel ik dan eigenlijk vooral denk aan Ierland - de dichter Seamus Heaney bijvoorbeeld - en aan Amerikanen. William Carlos Williams die zo'n stil gedicht schrijft als:

Poem

as the cat
climbed over
the top of

the jamcloset
first the right
forefoot

carefully
then the hind
stepped down

into the pit of
the empty
flowerpot.

Als ze Nederlands zou kennen, zou Annie Proulx er misschien iets van kunnen, hoewel een te ruwe bolster misschien toch? Japans, dat wint het, denk ik. Vanwege de bloesem, het verfijnde schrift, de verwevenheid van cultuur en natuur, het landschap alom, de innige verbondenheid van mensen en goden, de schaalgevoeligheid voor de dingen - de miniatuur tuinen en micro-producten - en niet te vergeten het allesdoordringende spel van licht en donker - lees Tanizaki's Lof der Schaduw -  dat is het waarom ik denk dat Japans een goede eerste is bij een vertaling.

Hirschfeld, In de ban van de Macht.




Auteur: A.v.d. Zwan

Boektitel: Hirschfeld,  In de ban van de Macht.


Binnen twee dagen had ik het boek van v.d.Zwan over Hirschfeld uit. Het is spannend geschreven, bijna een historische thriller. Hij licht telkens een tipje van de sluier op, maar houdt de (onaangename) verrassing tot het laatst in petto. De opbouw van het boek op zich is niet slecht. Eerst het doen en laten van de man, zijn functioneren en zijn gedrag analyseren daarna zijn joodse afkomst en wat psychologie incluis de suggestie van homofilie. Die beide facetten van zijn (sterke, autoritaire?) karakter maken de
verborgenheid - de dubbele bodem - als element in zijn gedrag onder de omstandigheden van vervolging plausibel en zelfs wel aanvaardbaar, indien er al sprake van is geweest. In een ouderwetse, protestantse maatschappij als de Nederlandse in die jaren was gereserveerdheid een deugd die niet snel werd ervaren als huichelachtigheid of schijnheiligheid. Het was een masker dat goed van pas kwam in de ambtenarij en zeker bij het vak van onderhandelen.

Persona was toen nog bijna klassiek identiek met masker. vdZ. duidt dit met recht even aan, waar hij Hirschfeld’s karakter bespreekt - een schets die veel weg heeft van de zgn autoritaire persoonlijkheid volgens Adorno - een psychologisch construct waaraan het mechanisme van de zondebok ook niet vreemd is.(Er is een wederkerigheid tussen uitgesloten worden en zich uitgesloten voelen, dat
in het geval van Hirschfeld. met zijn joodse achtergrond van doen kan hebben. Ook onder katholieken kwam dit type vaak voor - ook zij werden lange tijd niet als volwaardige Nederlandsers gezien, ultramontanen, die hun loyaliteit telkens maar moesten bewijzen).

Het slot van het boek is gewaagd en misschien overbodig. Een vergelijking met Fouché langs wegen van Stefan Zweig geeft er een kleine literaire draai aan. In mijn herinnering staat Fouché te boek als een rat - in spionage termen spreekt men liever van een mol. Een dergelijke vergelijking is uiteraard tegen de schenen van de fatsoenlijke Nederlander - Bolkestein, van goede komaf, incluis? Het kan toch niet zo zijn dat we ons al die jaren hebben laten beduvelen door een zo geslepen man – die we vrijwillig alle macht in handen hebben gegeven  - dat hij ook na de oorlog weer weg komt met een eerherstel dat hij dan ook nog weer min of meer zelf bewerkstelligt - al is het met behulp van een man als Fentener van Vlissingen, die lang de eigen belangen met een pro duitse gezindheid heeft behartigd.

Ik moet zeggen, de vergelijking met Fouché deed mij ook even schrikken en naar rationalisatie zoeken. Het heeft iets van een plot, wat  bij een historische reconstructie niet kan. Het nodigt uit tot het verwijt dat er naar een ontknoping is toegewerkt. Dat verzwakt de aanspraak op wetenschappelijke analyse, maar past toch weer wel in een biografie, die vraagt om een afgerond beeld van een persoon.  Ik vind wel dat de recensie van Bolkestein beneden de maat is, omdat het hart van het boek niet aan bod komt. ( Het is waar, hij bespreekt eigenlijk het boek van Fennema) Die kern van het boek  bestaat uit de analyse van de voor-oorlogse sturing door Hirschfeld naar een pro-Duitse economische politiek. Hier lijkt me dat de kritiek zich op moet richten. Dat doet Kleman in een recensie, waarin hij stelt dat niet H. de koers bepaalt maar de ministers Verschuur en later Steenberghe. Ik had ook het gevoel dat in vd.Z's schets iets niet klopt. Wie is er de baas op het departement? Hoe kan H. zo zelfstandig een onlogische economische koers volgen/maken, terwijl Steenberghe een sterke man met grote ambitie is, zoals ook in de meidagen van 1940  nog eens duidelijk blijkt.

Formeel blijft trouwens ook een minister verantwoordelijk en zeker een sterke. Ik deel dan ook de kritiek van Kleman, waarin hij suggereert dat vd.Z. lijkt toe te redeneren naar een conclusie, die hij bij voorbaat heeft getrokken. De vraag is alleen bij voorbaat of toch na bestudering van de  economische feiten zoals vdZ die rangschikt. Kleman maakt aannemelijk dat vdZ. het vooroorlogse politieke raamwerk niet goed heeft ingeschat, waardoor de pro-Duitse koers bepaald is door de ministers, die een achterban hadden met meer belang bij een duitse afzetmarkt, terwijl Colijn dan meer de internationale, Anglo- markten in het vizier hield. Ik zou nog eens naar de markten en de producten moeten kijken om hierover een fair oordeel te kunnen geven. Is  het alternatief van de Oslo-landen reëel of verdoezelt vdZ. met statistieken toch enigszins het werkelijke beeld van de marktverhoudingen en belangen voor Nederland? Op zich lijkt me de bewuste, zij het opportunistische  keuze van een pro duitse economische politiek door vdZ. heel aannemelijk gemaakt en zal Hirschfeld ook zonder meer deze koers gevaren hebben al dan niet met steun van zijn ministers in de rug. De kwalificatie pro Duits had voor de oorlog niet diezelfde pejoratieve klank die ze nu heeft vanuit na-oorlogs perspectief, hoewel Hirschfeld hier dan wel als opmerkelijk neutraal verschijnt tegenover wat er in nazi-Duitsland gebeurt. Op economisch terrein was Duitsland een werkelijkheid en een groeiende macht. Hier wreekt zich dat Nederland vóór de oorlog politiek niet een
antifascistische koers wilde varen. Waarom zou het dan een anti-Duits economisch beleid gaan voeren? Met andere woorden pro Duitse krachten waren vóór de oorlog niet zo verdacht als we nu wel zouden denken – zeker niet o.l.v. een man als Colijn, die ook niet vrij was van autoritaire opvattingen. Het behoorde tot de realistische mogelijkheden om in het kielzog van Duitsland te varen.

Ik meen dat het neutrale Nederland van de eerste W.O. ook in hoge mate pro Duits gehandeld heeft en het gaf tenslotte de Keizer onderdak tot zijn dood. De Nederlandse amusementscultuur was overigens ook Duits georienteerd – de Schlagers en de vele padvinderachtige liederen, die gezongen werden als men de natuur introk. Ter Braak met zijn Comité van Waakzaamheid was een roepende in de woestijn. Democratie werd vaak meer als een zwaktebod ervaren. Ik vind dat vdZ. dit indirect wel goed aangeeft door het geschuifel van het Nederlandse bedrijfsleven nadat Nederland in de meidagen bezet is. Het liefst gaat men 'unverfroren' door met productie en leveringen, is het bedrijfsleven in feite gelukkig met de economische opleving die volgt op de bezetting. Geleidelijk aan worden bedrijfsbelangen voorgeschoteld als nationale belangen, belangen van het volk – de voedselvoorziening moet veilig gesteld worden. Ook maakt  vdZ. het plausibel dat het dan te laat is een draai te maken en Duitsland als een 'vijandelijke' markt te behandelen. Nederland is in de netten verstrikt geraakt door zijn opportunistische politiek t.o.v. de Nazi's.

Sommigen beweren dat Hirschfeld een vooruitziende blik heeft gehad t.a.v. het ontstaan van een nieuw Europa. Het is zeer de vraag of het apparaat  - het Ministerie van Economische Zaken, waar ik jaren lang heb gewerkt - dat hij heeft opgebouwd niet eerder remmend dan stimulerend heeft gewerkt op de modernisering van de Nederlandse industrie in een Europese ruimte.