maandag 11 mei 2015

Op reis met Kafka en Winterson



geplaatst in de Ñapa van de Amigoe , afdeling literatuur, 09/05/2015

Op reis met Kafka en Winterson

Verhaal of vertelling

Op school leer je lezen en schrijven en rekenen. Ik zou bijna zeggen leer je de techniek ervan. Rekenen blijkt moeilijk. Wie doet het nog zonder rekenmachine? Schrijven is ook lastig, zeker als het gaat om papiamentu met zijn fonetisch spellen. Maar lezen kan toch iedereen, als hij geen analfabeet is. Toch is dit een misverstand. Ja, een sms’-je, dat lukt nog wel. Maar een literair werk lezen is wat anders. Dat vergt iets van de lezer. Ik zal dit verduidelijken aan de hand van twee schrijvers, Franz Kafka (via Roberto Calasso) en Jeanette Winterson.
‘Wat je nodig hebt is durf om in de tekst te duiken.’ Met deze aanmoediging eindigt Brede Kristensen zijn artikel over Lezen is Leren – een gedurfde reis. Reizen is soms gevaarlijk maar vaak niet echt gedurfd. Men volgt meestal gebaande wegen, zelfs de bungy jumper of the canopy walker, de moderne waaghalzen in het oerwoud (als dat nog bestaat en niet is omgetoverd tot amusementspark). Lezen is een uitdaging en amusement. Dat geldt ook voor een literair werk. Toch wordt een roman soms weggelegd als te moeilijk. Een roman is, vindt men, voor de vrije tijd, voor de vakantie, ter ontspanning in de luie stoel of aan het strand. Je hoeft er niet bij rechtop te gaan zitten, je oren te spitsen, te spieden. Mocht je daarin geen zin hebben, ook goed, dan lees je het maar niet, zegt de Engelse, (post)moderne novelist Jeanette Winterson*laconiek. Zo ontstaat er natuurlijk geen debat. De smaakmaker wint, vanille of pistache. Dat er op het eiland Curaçao nauwelijks sprake is van literaire kritiek hangt samen met een geringe literaire productie. Het is alsof een tijdperk voorbij is. En misschien is dat ook zo. Immers het Nederlands is de taal van een minderheid aan het worden. De kritiek wordt min of meer historisch. Een debat zoals tussen columnisten in Bookends van de New York Times is niet voor dit eiland weggelegd, tenzij de horizont wordt verlegd naar de wereldliteratuur waartoe de Ñapa soms een aanzet geeft. Ook de Letras is een rubriek, die helpt verder te kijken dan de kust van ons eiland.
Het speuren naar ongeschreven bedoelingen van een schrijver leidt vaak af van de tekst, die de lezer in handen krijgt. Het levensverhaal van de schrijver mag relevant zijn voor de schrijver als inspiratiebron, de tekst is wat hij de lezer aanbiedt. Niet zijn levenswandel of zijn al dan niet verborgen uitstapjes. Soms is het interessant te weten welke voorvallen in het leven van de schrijver een rol spelen, maar in wezen moet het voor de waardering van de tekst er niet toe doen. Een biograaf zal er plezier in scheppen hierover te vertellen. Maar ook een literair criticus zal zich niet geheel beperken tot de tekst. Neem het werk van Kafka. Het is een genot om zich in zijn romans en verhalen te verdiepen, niet om zijn intenties te ontsluiten, maar om de betekenis(sen) die schuil gaan in de tekst te ontsluieren. Het zijn heldere, gewone vertellingen. Spannend, mysterieus ook,  meestal met een hoog voltage. Over dienstmeisjes, een landmeter, een mol, een jager, een herbergier, een dronkenlap, een insect, een bazige waardin, een rechtbank, de deurwaarder etc. en daarmee over de buitenstaander of vreemdeling, intimiteit, angst, macht en machtsmisbruik. Je kunt hierbij wel een steuntje in de rug gebruiken om dat onbestemde uit de tekst te halen, b.v. de schijnbare leegte (Die scheinbare Leere), waarmee de roman het Slot opent. De Italiaanse schrijver Roberto Calasso*is een goede gids. Hij is voor mij het prototype van de ware lezer. Waarom? Hij is zeer belezen en een kenner van de Griekse en Indiase godenwereld, waarover hij voortreffelijke boeken heeft geschreven. Deze kennis geeft hij door aan de lezer. Calasso zet op de omslag van zijn boek over Kafka: ‘Iedereen heeft zijn eigen manier om uit de ondergrondse wereld naar boven te komen, ik doe dat door te schrijven’, citaat uit Franz Kafka’s werk. Voor mij is dit Kafka ten voeten uit. Raak gekozen door Calasso.  Hij laat zien hoe Kafka’s werk deel is van de literatuur en hangt diens teksten in het grote web van de wereldliteratuur. Calasso wijst de lezer op de intensiteit van Kafka’s tekst, de energie, de potentialiteit, de gelaagdheid, de ondergrondse wereld van waaruit Kafka schrijft. Hij ziet zijn schrijven als opgang naar het licht, het bestormen van de grens, het ontwaken uit een droom, de wereld boven de grond. Er is meer dan het verhaal. Het is de vertelling, waarin het ongrijpbare van het leven en wat daaraan vooraf gaat, energetisch is samengebald. Zoals in de schilderkunst b.v. Picasso zich ervan bewust was een noeste werker te zijn in het Atelier van het Schilderen, een ploeteraar die, hoe revolutionair ook, stond in de grote traditie van het schilderen. Picasso schilderde zijn Meniñas -een serie zelfs -  in navolging van de Spaanse schilder Velásquez en zijn Demoiselles naar het voorbeeld van het schilderij van el Greco, de Opening van het Vijfde Zegel. Dankzij een gids als Calasso neemt het plezier van het lezen toe. Hij blijft in de buurt van de tekst, weg van theologie of filosofie, ondanks zijn grote kennis terzake. Wat hij vooral doet, is de lezer leren lezen, precies en met grote aandacht de lading van de tekst, zijn electriserende werking ontdekken.Hij laat zien en voelen hoe onuitputtelijk Kafka’s werk is. Altijd immers zijn er diens demonen. Her-lezen is bijna onontkoombaar en telkens weer verrassend. Het is een her-beginnen met nieuwe vangsten.
Vandaag de dag neemt de creatieve lezer geen genoegen meer met een glad, recht toe recht aan verhaal van begin tot eind. Daarvoor kun je bij de TV en de film terecht om Jeanette Winterson** te parafraseren. (Het is hier niet de plaats haar werk zelf te bespreken. Zie voetnoot.) Winterson heeft een indrukwekkend oeuvre op haar naam staan, dat bekritiseerd, maar ook geprezen is. Soms loont het een schrijver over ‘lezen’ aan het woord te laten. Winterson doet behartenswaardige uitspraken in interviews, zoals: ‘Art can make a difference because it pulls people up short. It says, don’t accept things for their face value; you don’t have to go along with any of this; you can think for yourself.’En over lezen zegt ze in een inleiding op haar roman ‘Oranges are not the only fruit’: ‘This means that you can read in spirals.......I really don’t see the point of reading in straight lines. We don’t think like that and we don’t live like that. Our mental processes are closer to a maze than a motorway ...’Lijkt haar manier van schrijven op het eerste gezicht anders, experimenteel en vervreemdend, ze suggereert met deze visie dat het dichterbij het denken van de lezer staat dan hij vermoedt. Winterson verstaat de kunst om de lezer van zijn à propos te brengen. Daarmee brengt ze hem dichterbij zichzelf, bij zijn eigen mind. Ze ondergraaft vanzelfsprekendheden als ruimte en tijd en sexe, die ze een metamorfose laat ondergaan, waardoor ze het vertrouwde houvast verliezen. Haar verbeelding lijkt onbegrensd. Zij componeert teksten, waarin vertellers elkaar het woord ontnemen, heden, verleden en toekomst worden doorkruist en verwisseld, sexen worden getransformeerd. De lezer moet zijn best doen om door te gaan, want zijn eerste ervaring is ongemak en onbegrip misschien zelfs ergernis.‘I'm telling you stories. Trust me,’ schrijft ze dubbelzinnig in haar roman The Passion. Winterson vindt dat de lezer moet worden ontregeld en eerst dan wezenlijk kan genieten van de tekst, die de ogen van lezer opent voor het onverwachte, het onvoorziene, het onbekende.‘Readers, I think, are more sophisticated on the whole than critics. They can make the jumps, they can make imaginative leaps’, zegt ze met achting voor de lezer. Haalt de schrijver de lezer uit zijn gewone doen, er moet toch iets resteren dat hem blijft boeien. Daartoe maakt Winterson – net als Calasso – gebruik van haar grote belezenheid in de Engelse literatuur en van haar kennis van de bijbel, van de geschiedenis en de godenwereld uit de klassieke oudheid. Ze verweeft deze kennis met het verhaal, dat vaak weer door de goden wordt verdrongen van de eerste plaats. Voor de lezer is het nuttig een onderscheid te maken tussen vertelling en verhaal. Als vertelling sluit het werk van Winterson aan bij de orale cultuur uit de tijd van de bijbel en de Griekse godenwereld en bij onze eigen tijd van het (klets)mobieltje. En zo opent ze ‘Gut Symmetries’: ‘It began on a boat, like The Tempest, like Moby Dick, a finite closure of floating space, a model of the world in little. Here is a vas hermeticum, a sealed capsule on a rough sea. This is the alchemic vessel, resistant to change, constantly being transformed.’Zonder wonderen, zegt ze, geen leven. Doordat de vertelling het nauwelijks doorschemerend verhaal overschaduwt, springt haar virtuoze taalgebruik in het oog. Haar liefde is de taal, die toegang geeft tot de grote Engelse literatuur. Scherp, flamboyant, opwindend en komisch, paradoxaal, satirisch, speels, jubelend, duivels etc. En de Liefde zelf is haar grote thema in alle mogelijke gedaanten tot gruwelijk en bizar liefdesgedrag toe. Haar ‘Written on the Body’ opent met de zin: ‘Why is the measure of love loss?’ Zelden heb ik vergelijkbaar poëtisch proza van moderne Engelse snit gelezen. Haar boeken zijn juweeltjes, wondertjes van fabuleuze taal. Als lezer verlaat je, zoals Winterson zegt, de door de klok geregeerde tijd om in een meditatieve ruimte te duiken. Wat Winterson doet, is de lezer zijn programmering afnemen en een miraculeuze wereld ontvouwen, waar andere wetten gelden dan in het leven van alledag of in een traditioneel verhaal. De ontkoppeling van verhaal en vertelling schept ruimte voor de lezer om mee te vertellen, te fabuleren en mee te reizen op een gedurfde reis. De lezer moet zich tot het uiterste inspannen om zich de andere wetten eigen te maken en een plaats te veroveren in de vertelling. Als het lukt zich ontvankelijk te tonen voor dit proces van onthechting uit ons gewone doen, is er geen heimwee meer naar het oude verhaal, want het is onopgemerkt opgenomen in de vertelling. De lezer laat zich drijven op de golfslag van de vertelling om de woelingen in het water aan den lijve te ervaren. Het werk van Winterson nodigt hiertoe uit. Het beste advies is haar novels te lezen of beter nog soms hardop voor te lezen om de klank van de taal en de echo van de ondoorgrondelijke en onuitputtelijke liefde in haar fantastisch universum.

*Roberto Calasso: K., Wereldbibliotheek 2002
** Ik noem hier enkele titels uit Jeanette Winterson’s werk: Written on the Body; The Passion; The.Powerbook; Sexing the Cherry;  Art&Lies ; Gut Symmetries.Zie voor korte recensies coolsplanet.blogspot.com boekbesprekingen

geplaatst in de Ñapa van de Amigoe , afdeling literatuur, 09/05/2015

zondag 19 april 2015

Patrick Modiano : Honeymoon



Patrick Modiano

Honeymoon




Honey Moon


Patrick Modiano

Honeymoon is het derde boek dat ik van Modiano lees en inderdaad veel weg heeft van Dans le café de la jeuenesse perdue en van de roman Dora Bruder. Een Parijse filmmaker is op doorreis in een Milanees hotel, waar hij hoort van een zelfmoord van een vrouw uit Parijs, die hij naar blijkt vroeger tesamen met haar man (Rigaud) ooit ontmoet heeft aan de Franse Mediterrannee en later nog weer in haar (Ingrid’s) woonplaats, Parijs. Via de naam van haar man reconstrueert de filmmaker hun verleden. Hij doet dit terwijl hij zich zelf onttrekt aan een filmexpeditie in het buitenland en aan het zicht van zijn vrouw (Annette), terwijl hij a.h.w. even klandestien is in Parijs als de twee in de oorlog en later in het onbezette Franse Vichy, aan de zuidkust. Ook in deze roman zijn adressen, telefoonnummers en Parijse straten de coördinaten van het verhaal. Er wordt veel speurwerk verricht. Oppervlakkig klopt de legpuzzle, maar de gaten, leemtes verwijzen naar de ontbrekende stukjes. Het leven is ingewikkelder. Herinneringen zijn meer als de ijsbergen, zoals Modiano in zijn Nobelprijs rede zegt. Ze drijven rond in de oceanen van vergetelheid. De tijd is een ruimte waarin parallel of simultaan zich velerlei gebeurtenissen voordoen als ogenschijnlijke identieke voorvallen en personen sterke gelijkenissen met elkaar vertonen, waardoor het maar de vraag is of er wel zoiets bestaat als identiteit en verwissseling en veranderlijkheid niet meer regel dan uitzondering. Zoals ook het bezette Parijs is als de nacht die bedreigt en verhult en de Mediterrane zon juist verblindt en de werkelijkheid oprolt in zijn schaduw. Het verborgene is wat in de roman verschijnt en de ontsnapping tot het centrale thema maakt. Niet alleen de vlucht van het echtpaar en van de filmmaker, maar ook de ontmoetingen en relaties verdwijnen weer in het donker, de ondergrond van het dagelijks bestaan. Het zijn slechts de oplichtende momenten die de lezer krijgt aangeboden, gedompeld in de vormloze duur van de nacht. Hierdoor ervaart de lezer een hevigheid, een intensiteit, een beklemming in het bewustzijn dat het moment kort is en in wezen ongrijpbaar, maar het enige is wat zich toont. Het is bijna alsof de werkelijkheid in doodsnood verkeert, de hoofdpersonen proberen te ontsnappen aan de verdrinkingsdood. Elke zin, elk detail getuigt van deze voortdurende dreiging dat het leven, de werkelijkheid zal ontglippen en ontglipt.


maandag 13 april 2015

Mondiano, Patrick, Dans le café...


Dans le café de la jeunesse perdue

Patrick Modiano




Patrick Modiano

Dans le café de la jeunesse perdue

Wat allereerst opvalt is met welk een nauwkeurigheid de straten van Parijs in kaart gebracht worden, waar de hoofdfiguren van de roman doorbrengen. Een psycho-geografie of cartografie. Waarom is dit opmerkelijk? Alle hoofdfiguren zijn op zoek naar hun verloren jeugd, naar het verleden dat voor sommigen ver weg ligt voor anderen net achter de rug is. In zekere opzicht zinspeelt de titel, denk ik, op Proust, de Verloren en hervonden Tijd. Het is daarom opvallend en kenmerkend dat op zoek naar de tijd, Parijs ruimtelijk wordt uiteen gezet, ontvouwen, ontrold. Het geheugen van de mens schijnt ruimtelijk te werken of anders gezegd herinneringen zijn vaak opgehangen aan ruimtelijke constellaties. De hoofdpersonen dolen bijna onafgebroken door deze metropool, vinden en verliezen de weg, het spoor en de toedracht. Hun zoektocht voltrekt zich in de straten, de parken, op de pleinen van Parijs, waar cafés plekken van tijdelijk oponthoud zijn tussen het dolen door. In het labyrinth van de stad worden steeds meer naambordjes van straten en nummers van huizen opgehangen. De stad van de een is niet de stad van de ander en in zoverre is de stad nog een labyrinth totdat de hoofdpersonen elkaar ontmoeten en bakens en ijkpunten uitzetten, die kunnen fungeren als orientatiepunten in elkaars stad. De lezer kan er een plattegrond van de stad bij nemen, maar daarmee ontneemt hij zichzelf de magie van de tekst, die de stad van de hoofdpersonen is. Ja, de stad is een tekst en niet een kaart. Op een plattegrond regent het zelden, wordt het niet licht of donker, bestaat het café als teken of symbool, maar niet als plek waar men drinkt en rookt. De stad is niet de kaart, de kaart is niet de stad. Door het inzoemen op de straten en plekken wordt de stad bovendien ook telkens weer groter, lijkt de ruimte oneindig uitgebreid en is niet afgegrensd, waardoor steeds weer nieuwe mogelijkheden zich openen.  Het lijkt veeleer zo dat de schrijver niet de stad, maar het verhaal in kaart brengt en misschien is dat ook zo. Maar de hoofdfiguren vertellen het verhaal zelf en daarom voortdurend anders. In zoverrre is het verhaal een speurdersroman zoals ook Auster heeft geschreven. De hoofdpersonen kennen elkaar ook vaak niet bij de echte naam als ze die al hebben. Ze gaan met elkaar om in een soort anonimiteit zoals dat hoort bij stadsmensen. Een schildpad draagt ook altijd een schild en is daaraan herkenbaar. Men geeft zijn geheimen niet (gauw) prijs, maar geeft wel tekenen van herkenning. Dankzij de openingen in de stad als ruimte is er voor de lezer de gelegenheid van een adempauze op het gevaar af dat het web stuk waait en terug gebladerd moet worden. De stad is even ongrijpbaar als het leven, het verleden, de hoofdpersonen. Het meest intrigerend immers zijn de zones neutres en de zwarte gaten, waar de tijd stolt in ondoodringbare materie. Misschien zag het meisje de stad voor het laatst door het raam, het frame, de omlijsting van de oneindigheid in het einde van de werkelijkheid. De ondoordringbaarheid van de stad tenslotte is geschreven in een handschrift van heldere tekens en taal, een puurheid die bijna doorschijnend is.


donderdag 9 april 2015

Patrick Modiano

DORA BRUDER




Patrick Modiano
Dora Bruder
Gallimard 1997

Ik heb het boek destijds gemist. In 1994 was ik gemigreerd naar Curacao, een nieuw leven begonnen, maar het verleden laat zich niet geheel uitwissen zo min als het zich feilloos laat herinneren. Reconstrureren aan de hand van herinneringen, dat doet Modiano in zijn Dora Bruder, het opstandige , Joodse meisje dat, 15/16 jaar oud,  in 1942 een paar dagen verdwijnt, weer opduikt, verdwijnt en tenslotte naar Auschwitz wordt getransporteerd en niet meer terugkomt zoals haar Joodse vader uit Wenen en haar Joodse moeder uit Boedapest. De roman is geschreven als een zoektocht naar Dora, een historisch onderzoek, haar biografie, een topografische verkenning van Parijs, een geheugen-oefening naar Dora, haar ouders, haar leven, naar de feiten, de omstandigheden en de medeplichtigheid van politie en handlangers, anti-semieten, opportunisten.  Dora is  het rebelse meisje dat ontsnapt aan haar opvoeders, aan de kostschool en de burokratische instanties.  De zoektocht van haar vader leidt tot haar opsporing en de ondergang van het gezin. Ze is het meisje dat weg loopt, uit het beeld loopt, eerst door haar vader gezocht en later door de schrijver terug gebracht.  Maar ook de missie van de schrijver haar te achterhalen en hopelijk terug te brengen mislukt. Met beklemmende precisie wordt Dora uit de straten van Parijs, uit de administratieve registers tevoorschijn gehaald, haar leven gereconstrueerd  aan de hand van een steeds grotere collective van feitelijke data.  Maar al doende ontsnapt Dora telkens weer  aan de speurzin van de ouders en van de schrijver. En tegelijkertijd wordt het beeld van de verdwijnende Dora concreter, nauwkeuriger omlijnd, wordt zij ingesloten in het web van steeds meer informatie over haar preciese doen en laten, de plekken waar ze kan zijn geweest of gesignaleerd. Uiteindelijk ontsnapt ze onderweg naar haar ondergang aan de schrijver, de burokraten en instanties tijdens haar kortstondige verdwijningen, die voor altijd geheim blijven en mee op transport gaan. De stipte en strikte verzameling van informatie weerspiegelt de nauwgezetheid waarmee de Nazi’s en hun Franse handlangers in de politie tewerk gingen. De zoektocht naar het verleden is evenals het herinneringsproces beklemmend en obessioneel door de vasthoudendheid, waarmee Dora wordt gevolgd, haar sporen worden nagetrokken alsof zij daardoor alsnog haar lot zou kunnen ontlopen, waartoe haar tijdelijke verdwijningen lijken te willen verleiden. Waarom zou Dora niet definitief kunnen ontsnappen aan de vervolging als het haar soms wel lukt even uit het beeld van haar ouders en de autoriteiten te verdwijnen? Deze valse hoop is de motor van de roman, die tegelijkertijd door het niet-aflatende herinneringswerk de tijdelijke verdwijningen ongedaan wil maken. Hoe meer informatie hoe sterker de realiteit zich terugtrekt, ontglipt. Het onbegonnen werk.  Hoewel de fatale afloop eigenlijk al vast staat,  weet Modiano de lezer te binden aan de zoektocht zelf, stap voor stap, voetje voor voetje, door de straten van Parijs, in de metrostations,  langs de hotels waar ze hebben gewoond, de huizen en straten die zijn gesloopt, voorbij aan de bordjes verboden toegang op deze lege plekken, die herinneren aan Dora’s kortstondige verdwijningen, nog steeds ongewild tekens van valse verwachtingen dat het eens...  Doorheen de roman schemert het trauma van de schuld, waaraan geen mens kan ontsnappen.


donderdag 19 maart 2015

Sexing the Cherry, Jeanette Winterson




Sexing the Cherry


Jeanette Winterson

Lezen is weer smullen voor de lezer  zoals Winterson deze dis opdient.

De vertelling cirkelt om een verhaal over de 12 dansende prinsessen herverteld vanuit een feministische optiek, een vrouwelijke Gulliver en haar geadopteerde zoon, gevonden in de Thames ( Mozes?), met wie de tekst begint ‘My name is Jordan.’ En de tekst eindigt met ‘And even the most solid of things and the most real, the best-loved and well known, are only hand-shadows on the wall. Empty space and point of lights.’ Dit is ontleend aan een informatieve tekst over de ‘Hopi, an Indian tribe, have a language as sophisticated as ours, but no tenses for past, present and future.’ W. onderzoekt op die manier de tijd, demonstreert hoe het bewustzijn verruimt. Materie is plaats, tijd is ruimte. Lichaam is stof, ziel is tijd.  De vertelling doorkruist ruimte en tijd vanuit de zeventiende eeuw, de dood van Charles I en het bewind van Cromwell en de puriteinen ( denk in deze tijd aan IS). Jordan brengt een banaan en een ananas mee van zijn reizen om aan de nieuwe koning aan te bieden. De reuzin verslindt mannen of leert ze mores. Ze heeft dertig honden of meer. Ze is angstaanjagend, maar zorgzaam en bezorgd om haar Jordan die de wereldzeeën over zwerft. Er is ook gelijkenis met de Gargantua en Pantagruel van Rabelais met zijn seksuele grofheden, verre reizen, vreemdsoortigheden en zijn satirisch karakter door de verregaande overdrijving van de reuzin. Winterson herschrijft de patriarchale, paternalistische geschiedenis vanuit het vrouwelijk gezichtspunt, bijna verlekkerd hoe ze de mannen volledig inmaakt,, ridiculiseert, opvreet of verminkt met een vrouwelijke nasmaak als genoegen. De dansende prinsessen zijn de paranimfen in de herschrijving van de macho-geschiedenis. De twee tropische vruchten staan niet alleen symbool voor de beide geslachten maar ook voor de overwinning op de ruimte, de verte. Waarom de zeventiende eeuw met zijn Puriteinen? De stank van de Thames leidt terug naar die tijd. Londen en de Pest en de grote Brand. Taal is het dier dat speelt, dolt, tiert, uitvalt, slaapt, soest in de zon.