zondag 7 augustus 2016

Over Poëzie




Gepubliceerd in de bijlage van de Curacaosche krant, de Ñapa van zaterdag 30 april  2016




Een mooie reden om wat vaker een gedicht te lezen

Een krantenlezer wil informatie, geen poëzie. Maar soms snakt ook hij/zij naar iets anders, bijvoorbeeld een hangmat of een visstoeltje, een tuin met schaduw van een tamarinde, een glimlach of een liefkozing. Poëzie biedt dit allemaal en nog veel meer. Maar wat precies?
Een gedicht is als een motorfiets. Je trapt hem aan en de motor werkt of niet. Zo is het met een gedicht. Het verschil: aantrappen is geen kunst, lezen van een gedicht wel. Wanneer de motor draait, werkt de motorfiets. De vraag is wanneer werkt een gedicht? Daarover is al veel geschreven door poëziekenners.
Om mee te beginnen. Er worden veel gedichten gemaakt, veel teveel durf ik wel zeggen en wel omdat mensen denken dat dichten over emoties gaat en die hebben we allemaal. We zijn daarom allen dichters. Dat is een misverstand. Een kwalijk misverstand want daardoor keren zich ook weer veel (andere) mensen af van poëzie; zij willen niet horen bij de softies, die nog niet met goed fatsoen een motorfiets aan de praat weten te krijgen – laat staan een gedicht.
Wat doet een gedicht als het werkt? Zeker, om bij de beeldspraak te blijven, het is een machientje of beter nog het heeft een mechaniek met een bedacht ontwerp dat beantwoordt aan het doel: te weten een mechaniek te zijn. Het moet werken, functioneren, ‘lopen’ totdat de motor wordt afgezet ofwel het gedicht is uitgelezen. Lees maar van de Vlaamse dichter Roland Jooris uit ‘De Deur’
/Ik plaats een deur in /Dit gedicht en open ze /Meteen, daar springt de /ochtend naar binnen de /lucht zingt niet meer, maar is /gewoon helder, de fluitketel /zingt in de keuken dan /maar, etc
Hier gebeurt van alles. Het gedicht doet iets, zet een beeld of gebeurtenis in werking. Het is zelf een ding om mee aan de gang te gaan, te spelen, uit elkaar te halen, weer in elkaar te zetten. Je weegt het op de hand, houdt het aan het oor, ruikt eraan zoals je met veel dingen doet die je niet kent of waarvoor je misschien schrik hebt. Misschien wel zoals een kat speelt met een muis, die met voorzichtige tikjes van zijn poot verkent hoe het beestje zich gedraagt er tegelijk voor zorgend dat het niet ontsnapt. De muis als ding, de lezer als kat – met de voorzichtigheid van William Carlos Williams’ Cat, oh zo voorzichtig, een hinkstap bijna:
/As the cat/climbed over /the top of /the jam closet /first the right /forefoot /carefully /then the hind /stepped down /into the pit of /the empty /flowerpot
Een gedicht is een mechaniek, een ding, maar ook gezang. Slamdichters en rappers zijn de laatste tijd nogal populair dankzij hun vaak onnavolgbare woordenrazernij, hun register van ongeremd spreken. Ze breken het podium af en soms ook de wereld erbij. Ze staan in de traditie van de oude troubadours, de zangers uit de Middeleeuwen, die van stad naar stad trokken. De voordracht van slamdichters is als het zingen van een lied met alle passie van een woordkunstenaar en lichaamstaal van een danser. Een gedicht is niet zomaar spreken in het openbaar, het is zingen uit volle overtuiging of zoals Leo Vroman zegt:
/Tegen het spreken is gezang /Dat niets beduidt van groot belang/
Wie luistert naar een gedicht, hoort behalve het ritme ook de klank. Vaak zit de klank in het ritme, maar ook de herhaling (refrein of anderszins) zorgt voor muziek zoals:
/Midden op de weg lag een steen /lag een steen midden op de weg /lag een steen /midden op de weg lag een steen / etc,
- in een gedicht van de Braziliaan Drummond de Andrade, later op muziek gezet door Francisco Mignone. In een gedicht kan een steen zingen. Een gedicht ruist uit zichzelf of klingelt als de bekende Chinese porcelein balletjes – telkens opnieuw en anders, maar toch weer hetzelfde. Poëzie wordt ook wel muziek met woorden genoemd. De dichter heeft niets anders dan de taal, zijn grondstof voor het gedicht. Daarmee zal hij het moeten doen – soms tot zijn spijt. Muziek kan niet zonder stilte, een gedicht evenmin. Stilte is de voering van een vers, de regels, de strofen, de witte bladspiegel. Soms hoor je in die stilte het papier kraken onder het eigen geroezemoes van de woorden, die uit de tekst willen kruipen en een andere plaats zoeken, terwijl je zit te lezen. Maak je echter als lezer teveel lawaai, roep je steeds ‘ik begrijp er niets van’ dan kruipt het gedicht terug in zijn woorden, wil het niet meer ruisen. Het gedicht merkt eenvoudig dat je iets anders zit te doen, met je zelf bezig bent, stoeit met emoties of het gedicht in een hoekje probeert weg te stoppen. Volg het advies van de Andrade:
/dring geruisloos door in het rijk der woorden /daar bevinden zich de gedichten die wachten geschreven te worden/
Wat een gedicht ook heel goed kan, is je mores leren – je de waarheid zeggen. Mores zijn oorspronkelijk ongeschreven regels en voor een gedicht betekent dat je moet letten op de regels wit en op welke plek de regels afbreken. Ritme en stilte zijn de pages van de mores, die de lezer waarschuwen dat, zoals Nijhof zegt ‘er staat niet wat er staat.’ Als je het wit niet leest en de stilte niet hoort, denk je al gauw dat je weet wat er staat en dat is een vergissing, zegt hij. De lezer die zijn armen in de lucht steekt, alsof hij verdrinkt, helpt Vroman: het gaat om gezang dat niets beduidt.
In zijn lezenswaardige boekje, ‘de Dichter is een Koe’ voert Hugo Brems een gedicht op van een onbekende Canadese dichter:
De kikker
/Wat een prachtige vogel is de kikker /Als hij staat zit hij bijna /Als hij springt vliegt hij bijna /Hij heeft nauwelijks enig verstand /Hij heeft nauwelijks een staart ook /Als hij zit, zit hij op wat hij niet heeft /Bijna.
Wat doet deze dichter? Hij neemt de ‘biologische’ kikker, die de lezer uit de werkelijkheid kent, nogal hardhandig af en begint opnieuw, maakt er een vogel van, maar wel een bizondere. Hij geeft de lezer onverwacht een duwtje en lacht hem uit. Al drie eeuwen geleden heeft de Japanse haiku dichter Bashõ laten horen dat zijn kikker geluid maakt door een sprong in de oude vijver.
Old pond /A frog leaps in /Water’s sound/
Het gedicht is een capsule van taal met een eigen binnenwereld. Het verwijst niet naar de werkelijkheid maar naarbinnen, naar zichzelf. In de cocon spint zich een gedicht, dat daarbuiten niet bestaat. Daarom schrijven dichters vaak over de kunst van het dichten, het geheim van het spinnen in het donker. Of anders gezegd, ze slepen iets uit de werkelijkheid mee naar hun hol, waar het eigenlijke werk begint. Daar is geen plaats voor emoties alleen voor taal, die overigens wel kan ontroeren. Dichten is geen spel, zegt ter Balkt, ook geen kinderspel. Dichters nemen de woorden hun geijkte betekenis af, maken er een nieuw uitspansel mee dat niet lijkt op de werkelijkheid - alleen in schijn. Sommige dichters gaan hierin heel ver en maken zgn. hermetische (gesloten) poëzie, bijna ondoordringbare gedichten, die veel kennis vergen van het poëtisch heelal. Ze schikken bestaande woorden in een nieuw arrangement, ze componeren muziek.  Hans Faverey is een sprekend voorbeeld, kijk zelf naar deze willekeurig gekozen regels:
/De zomer is oud geworden /Met de schaduw van zijn vis/ en het brandend wiel daarginds/op de heuvel is opgehouden/met branden. Boven de rotsen/cirkelt een roofvogel/ en nadert./ etc
De dichter ontfutselt jouw (eigen) taal om te laten zien hoe vooringenomen je als lezer bent, voorgeprogrammeerd, voor mijn part. Met taal is meer mogelijk dan je denkt, zegt de dichter en doet zijn best om zo dicht mogelijk bij de lezer te komen zoals Erik Spinoy in zijn gedicht over
Ontzielde lichamen
Het woord gaat dood /En geeft dan licht /Zoals de schubben van de vis /Pas glimmen /Als hij op het droge is / Etc.
Er moet iets wezenlijks in het gedicht gebeuren, zoals ook om je heen plaatsvindt, maar vaak onopgemerkt blijft, tenzij er licht opvalt en in dit geval de vis die het water verwisselt voor het droge. Beeld, spiegelbeeld, omkering, het zijn favoriete ingrediënten van een gedicht. Ze bevorderen de lenigheid van geest, die we ook in het leven van alledag en bij het oplossen van problemen maar al te goed gebruiken kunnen. Een mooie reden om wat vaker een gedicht te lezen.
Het kan ook anders, wilder, uitdagender misschien. Lees de eerste strofe van het telkens weer verrassende, lange gedicht van de Braziliaanse dichter João Cabral de Melo Neto (in vertaling van Arie Pos)
De hond zonder veren
/De stad wordt doorsneden door de rivier /Zoals een straat /Wordt doorsneden door een hond /Een vrucht /Door een zwaard.
Je leest het goed: /die rivier /was als een hond zonder veren/
En die rivier ontsluit zich nimmer voor de vissen. En het wordt nog bonter:
/een hond zonder veren /is als een boom zonder stem /is als een vogel /met zijn wortels in de lucht /is als iets /waaraan wordt geknaagd /tot wat het niet heeft. (zie de verwantschap met de eerdergenoemde kikker van de Canadese dichter)
En verderop: /die rivier/is in herinnering /als een levende hond /in een huiskamer /Als een levende hond /in een broekzak / Als een levende hond /onder de lakens /onder het hemd /de huid.
Wat de dichter doet is de dingen met elkaar laten praten, een gesprek laten voeren onder elkaar, een communicatie openen, die zichzelf in beweging zet: de rivier, de vrucht, de hond, de veren, de vissen, de boom, de broekzak, het hemd, de huid en nog veel meer dat in het niet-geciteerde deel van het gedicht voorkomt zoals slijk, amfibieën etc. De Melo Neto isoleert de dingen, de woorden en combineert ze zo dat een ‘ongehoorde’ conversatie ontstaat los van de werkelijkheid. De dichter verdwijnt achter het gesprek der dingen in de nieuwe wereld. Dit gedicht kun je eindeloos opnieuw lezen doordat de conversatie bijna ongeloofwaardig authentiek is. De dingen kennen elkaar beter en anders dan wij weten of vermoeden.
Ter afsluiting keer ik terug naar de kikker. Dit keer naar de vijfde afdeling van het gedicht echografie van Annemarie Estor. Het demonstreert hoe de dichter trillingen uit de werkelijkheid opvangt, registreert en verbeeldt tot een gedicht. Het gedicht gaat vergezeld van tekeningen op een echoscherm:
Echografie
V (afdeling)
/Elektronen op het scherm, kometenregen /Ultrasoon portret van kikkergod /Die zwijgt en   paart /en drillen maakt /En onverschillig niet meer omkijkt naar het slijm /Die kikkergod /Ben jij in alle tijd /En in elke, elke mogelijkheid.

Derk Cools



maandag 16 mei 2016

literatuur ..lepelen uit een soepbord










 gepubliceerd in de Ñapa van de Amigoe van 
 
http://www.amigoe.com/?option=com_amigoe_download_pdf&file=PDF%20napa/09-04-2016na.pdf



Literatuur lezen als soep lepelen uit een dampend soepbord

Lezen kan iedereen behalve de analfabeet. Romans lezen is lastig, gedichten lezen vaak nog lastiger. De lezer krijgt soms het gevoel analfabeet te zijn. Maar, als het goed is, amuseert hij zich uiteindelijk toch kostelijk. Hoe doet hij dat?
Hoe kun je beter demonstreren wat ‘lezen’ is dan door romanschrijvers zelf aan het woord te laten. Niet er omheen draaien, van allerlei gewichtigs te berde brengen, maar citeren, op het gevaar af dat de tekst een eigen leven gaat leiden. Daar is in feite niets op tegen, want de tekst in zijn isolement dringt zich nog krachtiger op. Het is vergelijkbaar met het maken van een foto. Je kijkt door de zoeker en zet een frame om het geselecteerde blikveld heen. De ruimte en de objecten komen dankzij het frame scherper uit. Met een citaat gebeurt hetzelfde, de tekst wordt markanter. Wel kan het bezwaarlijk zijn als je slechte bedoelingen hebt en de tekst doelbewust uit zijn verband rukt. Het is niet mijn opzet om te citeren en de lezer zijn eigen oordeel te ontnemen. Het doel is de tekst voor zich te laten spreken.
In de loop van de tijd heb ik een protocol ontwikkeld dat me goed bevalt, niet altijd met succes maar doorgaans toch zeer geslaagd. Ik heb me aangeleerd om  de eerste zinnen van een roman bij herhaling te lezen, te fotograferen als het ware. Cruciaal zoals de openingszet bij het schaakspel. Ik ruik met de neus van de roman. (Gogol verstopte de neus in een brood.) Ik snuffel door de tekst zoals een hond een geurspoor volgt over het bospad en door de struiken. Ik geef toe dat niet alle romans zich hiertoe lenen. Hier een proeve van het protocol.
De openingszet van La Superba, geschreven door Ilja Pfeijffer 'Het mooiste meisje van Genua werkt in de Bar met de Spiegels. Ze draagt dezelfde nette kleren als alle meisjes die daar werken. Ze heeft ook een vriendje dat haar af en toe opzoekt wanneer zij werkt. Hij heeft gel in zijn haar en draagt een t-shirt zonder mouwen waar soho op staat. Hij is een klootzak.’ Een romantisch en ook wel alledaags begin. En dan, in één klap pakt Pfeijffer al het moois af: ‘hij is een klootzak.’ Verrast? Ja, misschien lees je er over heen, maar dit hier is de Bar met Spiegels. De bar van schone schijn en ijdelheid? Wat is verbeelding en wat werkelijkheid als je zit in de Bar van de Spiegels? Dit is misschien een variant op het sprookje ‘Spiegeltje, spiegeltje aan de wand,wie is de mooiste in het land?’
De bijna vergeten schrijver A. Alberts begint zijn kort verhaal ‘Moeras’ met de woorden:‘Tegen de middag kwam ik in het dorp van Naman, maar men vertelde mij daar, dat Naman tien kilometer verderop was gaan wonen. Achter het moeras, zeiden ze.’ Ook hier hetzelfde als bij Pfeijffer: de schrijver voert Naman op en serveert hem meteen weer af. Mooie introductie van een figuur! ‘En hoe kom ik door het moeras vroeg ik?’ Een soortgelijke beweging in de tekst: ‘Ja, er waren twee paden, een hoog en een laag.’ Niet de man en niet het moeras, maar het beeld. Alberts zegt in een interview dat niemand weet waar het moeras is.
De Portugese schrijver Gonzalo Tavares opent zijn roman Jerusalem met: ‘Ernst Spengler was alone in his attic apartment, getting ready to throw himself out of the window, when the telephone rang.’ De naam Spengler – im Westen nichts Neues - alleen al doet ondergang vermoeden. Spengler is alleen. Klaar om zich uit het raam te werpen. De telefoon gaat. Wat nu?
De Italiaanse schrijver Silvio D’Arzo begint zijn verhaal ‘Erfzonde’ met:‘In die tijd dacht ik nog dat een miljoen één onmetelijk groot biljet was en dat wonen op de vijfde verdieping in de Via Valestri 9, met een maar iets langere broer, niet een onbetekenend aards verschijnsel was, maar niets minder dan een manier van zijn op aarde.’ Dat beeld van het biljet, het hoog wonen, de langere broer, wat een combinatie. Wie vraagt nu, wanneer hij dit leest, waar dit gebeurt.
Deze openingszinnen bevallen me. Het zijn verrassende of raadselachtige teksten uit het onmetelijk land der verbeelding. Het begin smaakt naar meer. Lezen is eigenlijk als soep eten. Wanneer de soep te heet is, moet je eerst blazen. Geen bellen, maar luchtig, met beleid lucht verplaatsen zodat de soep afkoelt. Pas wanneer er geen damp meer af komt, je bril niet meer beslaat, komt het aroma vrij. Ben je te gulzig dan brand je je lippen, tong of verhemelte of alle drie. Het zal je nog lang heugen. Je bent gewaarschuwd door je lusten - maar te laat. Dunne soep moet je dunnetjes eten, langzaam, kleine schepjes, mondjesmaat, koket als je wilt. Knoeien is onvermijdelijk, een servet onmisbaar, nodig om de vlekken op je hemd af te poetsen. Dikke soep eten kan met grote scheppen. Een beetje jongleren met de lepel komt wel van pas, wanneer er sliertjes groente, stukjes vis in zitten. Slobberen dus. Het lijkt op sjoelbakken, de steentjes door de poortjes persen. Soep slurpen tenslotte is onbehoorlijk, tegen de etiquette, maar wel het allerlekkerst om te doen. Dat doe je als niemand kijkt, thuis of wanneer je alleen bent in het restaurant. Je proeft de soep beter, zeg je tegen jezelf, terwijl je je mond met het servet afveegt. Het aroma van de soep dringt door in je neus, tot hoog in je hersenen. Soep eten is een kunst, die je moet leren. Liefst al wannneer je nog klein bent. Hetzelfde geldt voor lezen. Des te eerder kom je toe aan literatuur, aan beheerst slobberen en slurpen zonder je mond te branden. En à propos, soep wordt in de keuken bereid of in de fabriek gemaakt. Verschil moet er zijn. Met literatuur is het niet anders. Er is lectuur en literatuur. Lectuur is voor het alledaags amusement, literatuur is voor de fijnproever. Lectuur komt uit de fabriek (van de uitgever), literatuur uit de keuken van de kunstenaar.
Lezen moet je doen. Eindeloos oefenen. Roeren, blazen, lepelen, proeven. Anders leer je nooit de 'jouissance' kennen waarover Roland Barthes het heeft – the pleasure of the text genieten. Soms is ‘the pleasure’ duivels – het einde van de wereld nabij. De lezer moet zich schrap zetten om niet neer te gaan. Incasseren moet hij of meebuigen als het bamboeriet.
In een brief van Eveline Vanfraussen (theater wetenschappen) aan de liefhebbers van lezen en schrijven in het oudste Vlaamse, literaire tijdschrift DW&B suggereert ze om ‘lezen’ te zien als een alledaagse bezigheid zoals strelen, koken, wassen etc. Hierboven heb ik ‘lezen’ vergeleken met een specifieke bezigheid als ‘soep eten.’ In haar brief zegt zij dat de bezigheid wordt voltrokken met volledige inzet van de uitvoerder. Niet soep eten of lezen alléén met je verstand maar met volle inzet van de zintuigen. Oog, oor, mond, neus, hand. Slurpen dus, op volle toeren.(Hoor je het?) Lezen door het dolle heen. Niet om het verhaal, de spanning, maar om de tekst, de taal. Je eet soep niet om je bord leeg te krijgen – alleen in geval van honger (zoals het jongetje in ‘de Kip die over de soep vloog’ van Frans Pointl). Soep eten doe je om de smaak en het aroma. Om dat wat je niet in de soep of in de soepkom vindt, maar om wat ontsnapt uit de soepkom bij het lepelen. Het is aanwezig in de bezigheid dankzij jouw inspanning en overgave. Even wordt de tijd opgeheven, raakt de bezigheid aan de eeuwigheid, geurt het aroma.
Een roman lezen om de ontknoping is als soep eten om zo snel mogelijk je bord leeg te hebben. Je consumeert de soep. (De Japanse schrijver Junichiro Tanizaki beschrijft in zijn boekje Lof der Schaduw met grote precisie en bijna sadistisch genoegen het verschil tussen soep in een Japanse kom van donker lakwerk (licht van gewicht) en in het bleke, ondiepe, Westerse soepbord. Geen groter verschil in smaak en schoonheid, in cultuur van de zinnen.) De roman dreigt een consumptieartikel te worden, wanneer je slechts leest om de afloop. Het boek wordt deel van de (kapitalistische) consumptiemaatschappij, een verbruiksartikel. Het lezen is geen bezigheid, maar een activiteit met een ander doel: tegen verveling, uit rusteloosheid, tijdverdrijf, afleiding, gezelligheid in boekenclubjes, status, kijk mij eens, etc. En dan vergeet ik nog dat men vaak leest om de herkenning – niets verbeelding, maar vragen in welk land, over wie en wanneer het gaat! Lezen begint dan te lijken op het meedoen aan een wielerwedstrijd, op hoogspringen, een huis, een brug of stad bouwen enz. De ontknoping is de beloning, maar slechts voor even.
Wie niet van soep houdt, kan het eens proberen met tuinieren. Mijn oude moeder heeft jaren gewerkt in haar rozentuin, geknipt, de aarde geroken, gewroet met blote handen, zwarte nagelranden gekregen en pijn in haar rug. Toen ze jong was, deed ze de was om een hoger doel, schone kleren voor haar kinderen – zonder pijn in haar rug en vuile handen, gelukkig. Tuinieren was voor haar een bezigheid, de was doen een activiteit. Wie dit nog niet duidelijk genoeg vindt, vergelijkt lezen met luisteren naar muziek. Er zijn weinig mensen die naar een concert gaan om te horen hoe het muziekstuk afloopt. Beethoven plaagt de luisteraar ermee.
En dan nog dit, tenslotte. Ooit las ik een mooi onderscheid tussen verhaal- en taalgedreven romans. De stuwkracht in deze romans is verschillend, ook voor de lezer. Hij wordt bij de verhaalgedreven roman voortgetrokken door de spanning, het drama, de tragiek, de intrige en de belofte van een ontknoping. Lineair lezen. De verhaalgedreven romans zijn talrijker in hun soort en trekken van de weeromstuit meer lezers, die graag willen vertellen wat ze gelezen hebben – de inhoud (kippe- of geitensoep). Het verhaal domineert de stijl en de structuur, drijft de lezer naar het einde. Er is geen reden voor verzet of verweer, want het draait om het verhaal. Taalgedreven romans en novelles echter munten uit door hun aroma, hun geur, de klank, de taal. Spanning doet minder terzake en een plot ontbreekt vrijwel geheel. Noem het meanderend lezen. Natuurlijk kennen deze romans ook een verhaal – net als een plek - maar min of meer noodgedwongen. Voorbeelden van taalgedreven schrijvers zijn A. Alberts, Charlotte Mutsaerts, Jeanette Winterson, Herta Müller, Ilja Pfeijffer. Een onderhoudend gezelschap, dat je voorlopig bezig houdt en meestal verleidt tot herlezen. Maar elk onderscheid, hoe spitsvondig ook, is ook weer zo klungelig, dat het maar zelden werkt. Daarom van een taal- èn verhaalgedreven schrijver, A.F.Th. van der Heijden, de beginzin van zijn laatse roman ‘Ochtendgave’: De beul werd ongeduldig. Het snelrecht liet nog tijd voor inwilliging van een laatste wens van de terdoodveroordeelde: het losmaken van zijn hemdsknopen. Ze waren van goud. En nu als lezer ervoor zorgen de teugels van het ongeduld in eigen hand te houden.

Derk Cools


donderdag 4 februari 2016

Schrijven in Ballingschap



In de Amigoe Ñapa van 16 01 2016 , blz 6 gepubliceerd essay over ontheemding in de literatuur aan de hand van de Tweeling Trilogie van de Hongaarse schrijfster Agóta Kristóf.

Aanleiding, de grote migrantenstroom naar Europa. Ballingschap is vervreemding van het eigen geboorteland en de eigen jeugd. Zij zijn onbereikbaar geworden of bestaan niet meer. Ze zijn een soort fantoompijn. (Zie artikel)
zie ook coolsplanet. blogspot.com

maandag 5 oktober 2015

Magie van het Korte verhaal




Gepubliceerd in de Ñapa van de Amigoe, 12/09/2015



In dit klein essay laat ik mijn gedachten gaan over de magie van het Korte Verhaal. Het is een literair genre dat heel goed past bij onze zo haastige tijd. Het is ook een intrigerend en boeiend genre. En het is niet eenvoudig onder woorden te brengen waarin het geheim van dit genre schuilt. Als je er over nadenkt, ontglipt het je vaak. Je herleest het verhaal nog eens. Soms helpt dat. Toch weet je vaak nog steeds niet precies waarom je het verhaal, dat je gelezen hebt, zo goed vindt. Goed, wat is goed? Spannend, emotioneel, droevig, uitbundig, opwindend? Ja, dat kan allemaal wel, maar zegt nog niet waarom het zo’n adembenemend verhaal is. Ik doe hieronder een gooi naar het geheim van het Kort Verhaal. Ik roep de Japanse schrijver Haruki Murakami erbij, die mij met zijn bundel Birthday Stories op het goede spoor zet. Ook de Amerikaanse schrijver van korte verhalen Raymond Carver snelt me te hulp.

Het is waar, in deze tijd hebben de meeste mensen haast, veel haast. Ze hebben het druk en weinig tijd voor lezen. Ze lopen bij wijze van spreken zichzelf haastig voorbij. Een Kort Verhaal heeft de charme dat het ergens onderweg gelezen kan worden. Natuurlijk op het gevaar af dat je het weer snel vergeet als het je niet echt raakt. Haruki Murakami schreef een boekje over hardlopen en schrijven. Het draagt de titel ‘What I talk about when I talk about running.’ Niet elke schrijver is natuurlijk een jogger of hardloper. Murakami blijkt een ware marathonloper met veel ervaring. Het meeste dat hij weet over het schrijven van fictie heeft hij geleerd tijdens het hardlopen, schrijft hij! Hardlopen is dus rustgevender dan gewone haast in het dagelijkse leven? Het geeft gelegenheid tot nadenken! Haast is niet productief, running wel? Murakami vertelt dat schrijvers en runners veel gemeenschappelijks delen. Ze moeten regelmatig oefenen, zich inspannen en onderwerpen aan discipline, doorzetten en pijn lijden. Ze herkennen elkaar hierin – zoals Murakami en Raymond Carver. Grappig is dat Murakami de titel van zijn boekje ontleend heeft aan een bundel van deze Amerikaanse schrijver van spannende verhalen, Raymond Carver ‘What we talk about when we talk about love.’ Murakami heeft alleen het woordje love vervangen door running. Hij wil laten zien dat hij in dezelfde geest schrijft als Carver en met evenveel spirit. Carver’s boekje bevat een rijke collectie korte verhalen van superieure klasse. Maar als je het uit hebt, zit je toch weer met de levensgrote vraag waarom zijn dit nu zulke goede verhalen.


Een kort verhaal is, naar mijn mening, verdienstelijk wanneer het bij wijze van spreken lang duurt of als het nog voortduurt, wanneer het al voorbij is! Het moet nog nawerken. Een kleine paradox, Spielerei met de Tijd, die ons helpt het geheim van het Korte Verhaal beter te begrijpen. Want daarover gaat het hier. Haruki Murakami stelde een bundel van Engelse verhalen samen onder de titel Birthday Stories. De Birthday herinnert ons aan het begin van ons leven, dat we zelf niet kennen. Tegelijkertijd is het een dag, die we ons meestal heel wel bewust zijn. Iedereen kan zich er dan ook iets bij voorstellen. Kadootjes, bezoekers, muziek, een taart, spelletjes. Het is een dag vol emoties, spanning, twijfel of hoop. De verjaardag is het feest van de verrassing, zoet soms bitter. De schrijver van een birthday story gunt zichzelf maar weinig tijd. Dat scherpt de pen, de humor, de waarneming, de conversaties, het verhoogt het tempo in het verhaal en verdicht de tekst. Het is voor de schrijver er op of er onder. Hij beklimt het podium en moet zonder omhaal zijn kunst vertonen. Ontsnappen is niet mogelijk. Aan het eind van de verjaardag valt onherroepelijk de nacht. Het verhaal is uit. De jarige is een dag ouder, blij, moe, bedroefd, dankbaar, gekwetst of wijzer. 


Een birthday story bevat alle ingrediënten, die in wezen elk goed Kort Verhaal kenmerken. Het kent een grote emotionele intensiteit, een compacte vorm, heftige spanning en een gebeurtenis al dan niet noodlottig van karakter. Het cirkelt rond de verrassing zoals bij een verjaarsfeest. Daarin gaat het geheim van het Kort Verhaal schuil. Het kent een grote lading, een intensiteit van tijd en samengebalde emoties, ook zonder knal heeft het een echo. 

De bundel Birthday Stories geeft ons een inzicht in wat de schrijver Murakami zelf een goed Kort Verhaal vindt. Hij brengt ons op het spoor van goede story tellers in het Engelse taalgebied. Ik noem uit zijn bundel naast Raymond Carver ook Denis Johnson en Russell Banks. Zij hebben ieder korte verhalen op hun naam staan. Sublieme soms hallucinerende verhalen. Het verbaast niet dat zij ook dichters zijn. Het zijn schrijvers in staat om kort en indringend te schrijven, beeldend en intens, rauw en aards. Als lezer staat je soms het zweet in de handen, doordat je bijna vergeet te ademen in de moordende stilte, waarin de gebeurtenissen in het verhaal zich voltrekken. Denis Donoghue schrijft: ‘In Raymond Carver’s stories, it is dangerous even to speak.’ Het spreken trekt het gevaar aan, dat overal in het Korte Verhaal rondwaart. Het is als de steen, die een helling afrolt en een lawine los maakt. Stilte is een reactie op dit gevaar dat als geweld door de naden van het bestaan kruipt. Geweldadigheid ligt overal in het verhaal op de loer, neemt de vorm aan van onzekerheid, gevaar, misdaad, noodlot. Zoals in de Birthday story ‘the Bath’ (van Carver), waarin het jarige jongetje in het verkeer wordt aangereden, in het ziekenhuis terecht komt, bewusteloos of in coma geraakt, dokters en zusters in- en uitlopen, zijn ouders bij het bed zitten in grote onzekerheid en zichzelf bij herhaling geruststellen, een verhaal dat eindigt met een telefoontje....


De moordende stilte in het Kort Verhaal is eigenlijk een kort oponthoud in het aanhoudend geweld van gebeurtenissen en voorvallen. Het is in het verhaal het moment, waarop de afgrond van het bestaan zich opent. Het moment van de duizeling. Tijdens dat oponthoud openbaart zich vaak in de banaliteit van alledag de ethiek in de vertelling. Mensen staan voor een beslissing. Ze moeten kiezen. De tijd verstrijkt, in het verhaal resten nog maar een paar bladzij, meer niet. Het moet nu gebeuren. Het is nu, de daad of de misdaad, de confrontatie met zichzelf of met de Ander. Heel soms dient zich de mogelijkheid van een metamorfose aan, een gedaantewisseling als laatste uitvlucht uit een benarde situatie. 


In het korte verhaal is er de condensatie van het leven, het alles of niets. Het is bij uitstek het genre waarin de morele vraag zich plotseling kan aandienen om even snel weer te verdwijnen. Een goed voorbeeld uit de bundel Birthday Stories is het verhaal van de schrijver Denis Johnson, getiteld Dundun. Dit is de naam van de jarige hoofdpersoon, die op die feestdag ruzie krijgt met zijn vriend Mc Innes en hem neerschiet. In de auto op weg naar het ziekenhuis dwingt Dundun zijn gewonde vriend te zeggen: ’Tell them (in het ziekenhuis) it was an accident. Okay?  .. ‘Promise,’ Dundun said. But Mc. Innes said nothing. Because he was dead.’ Dit is een staaltje van een Birthday Story, waarin de schrijver in één keer alle opgekropte energie lostrekt. Dit is een goede illustratie van het genre Korte Verhaal in volle werking, onweerstaanbaar, fel, explosief, in dit geval zelfs dodelijk. Verrassing, stilte, ethiek, de duizeling, het is er allemaal in het korte verhaal.


Tot slot nog dit. Raymond Carver schreef aan het eind van zijn leven het boekje ‘A new Path to the Waterfall.’ Hij schreef het toen de dood hem op de hielen zat. Hij had haast, grote haast. Hij koos passages uit verhalen van de Russische schrijver Tsjechov en schreef er eigen, dichterlijke teksten naast. Het is een ode aan het leven en aan Tsjechov, die hij beschouwde als de meester van het Korte Verhaal. In dit sublieme werkje is het onderscheid tussen het Kort Verhaal en het parlando-gedicht (proza gedicht) vrijwel geheel verdwenen. Met deze hommage naderde Raymond Carver zijn grote voorbeeld Tsjechov misschien nog het meest. 



Haruki Murakami, Birthday stories, in Harvill Press 2002


Raymond Carver, A New path to the Waterfall, in Harvill Press 1989


Denis Johnson, Jesus’ Son, in Picador 1992

zondag 30 augustus 2015

De Wolvin van Gimignano



De Wolvin van Gimignano

Derk Cools 

 zie coolsplanet. blogspot.com: Stories- Verhalen





zondag 23 augustus 2015

Murakami, de kleurloze Tsuruku Tazaki en zijn pelgrimsjaren







De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn Pelgrimsjaren

Van  Haruki Murakami

Als altijd schrijft Murakami ook dit keer weer soepel, buigzaam en geruisloos. Je kunt rustig, ongestoord in een hoekje lezen. Dit keer is het minder bizar, absurd en extreem op een zesde vinger aan een hand na. De storm van enthousiasme over dit werk is gaan liggen. Er zijn honderden recensies geschreven. Het is een realistische roman, die dicht bij het leven van alledag blijft. De gebruikelijke uitstapjes in het heelal blijven beperkt. De kleurloze Tsuruku is uit het paradijs van zijn verloren jeugd verdreven door zijn eigen vrienden en hij weet niet waarom. Het is een Kafkaësk vonnis. Absoluut en definitief. In zijn pelgrimsjaren daarna probeert hij de schok te verdringen, buigt hij het hoofd. Van het randje van de dood keert hij langzaam terug in het leven – de doodservaring kleurt zijn verdere bestaan, grijs, kleurloos, gedisciplineerd. Na zestien jaar achterhaalt Tsuruku de verrassende waarheid door gesprekken met zijn voormalige vrienden. De pelgrimsjaren brengt hij door in een ordelijk bestaan als bekwaam ingenieur van stationsbouw, met korte ontmoetingen en vriendschappen, dromen, slapeloze nachten. Een bijna wezen-loos leven van een man die vaak zijn tanden poetst, zijn handen wast, zich reinigt. Hij weet niet te ontsnappen aan het vonnis en de breuk, die hij niet verklaren kan, maar wil vergeten. Hij slaapwandelt nauwgezet door het leven zoals dat georganiseerd is en voegt zich naar omstandigheden, neemt de kleur aan van de omgeving, voelt zich een leeg vat. Hierin schuilt de kern van zijn levenswijze zoals zijn vroegere vriendin in Finland – een pottenbakster –  bijna imperatief bevestigt. Wees een leeg vat,Tsuruku! Volgens de I-Ching gaat het geheim van een aardewerkpot/vaas schuil in zijn leegte. Daarin ligt zijn bruikbaarheid. De kracht van een mens rust in zijn vermogen de vrije krachten van het ongevormde leven in een gevecht tot zich te nemen en zo te veranderen (de ene Tsukuru is de andere niet meer). Dit is het gevecht tegen het oordeel, het vonnis, dat zich aan de oppervlakte van het geordende leven voltrekt. (zie Gilles Deleuze: Afrekenen met het oordeel, in Kritisch en klinisch, essays over literatuur en filosofie) Murakami is niet behept met het Westerse gevoel van schuld, maar zal er niet onbekend mee zijn. Hoogstens is Tsuruku belast met schaamte en zwak in zijn levenshouding door het alsmaar opschorten van het noodzakelijke gevecht om de krachten te verzamelen, zich te bevrijden van het oordeel (opschorten, een neiging die aansluit bij een dodencultus, een oosterse levensvisie, bij het slaapwandelen door het leven??) De kalme, rustgevende toon en stijl van schrijven passen bij het verzaken en uitstellen door Tsukuru van het gevecht – gevolg van de doodservaring? Tegelijkertijd weet Murakami toch de lezer mee op sleeptouw te nemen. Hij neemt je mee in de trein, naar de bar,  het zwembad,  het restaurant, het station, in het vliegtuig, naar Finland en zet je op een stoel bij de gesprekken die hij met zijn vriendin Sara, zijn vriend Haida en zijn vroegere vriendenkring voert. Hoe gewoon en ernstig meestal, het gesprek kabbelt uit zichzelf en is bijna muziek. Hij fluistert melodisch en vaak melancholisch zodat de lezer aandachtig moet luisteren om gelijke pas te houden met Tsuruku's leven, dat opgaat in een onbestemd donker. Het is een stille roman. De laatste zin van de roman luidt dan ook : Toen was er alleen nog het ruisen van wind tussen witte  berken.