vrijdag 4 november 2016

Over Bruno Schulz en de Literaire verbeelding


Artikel in de Napa van de Amigoe, september 2016



Over Bruno Schulz en de Literaire Verbeelding

Verbeelding is een onuitputtelijk onderwerp, literaire verbeelding niet minder. Ik zal aan de hand van het werk van de Joods Poolse schrijver Bruno Schulz (1892-1942) een tipje van de sluier oplichten. De absurde dood van Schulz is een legende. Hij werd neergeschoten uit vergelding door een Nazi-officier in zijn geboorteplaats Drohobycz (destijds Pools Gallicië, nu Oekraïne). Zijn vertellingen en tekeningen zijn fabelachtig, regelrecht ontleend aan het rijk der verbeelding. Hij wordt wel de Poolse Kafka genoemd en vergeleken met de Argentijn Borges.
Mijn ouders hadden vroeger in de keuken een zandloper aan de tegelmuur hangen. Ik kon er eindeloos naar kijken. De verbeelding bracht mijn hoofd op hol. Kijkend naar het stromend zand, waande ik me al snel op het strand, zag ik krabbetjes en zeesterren, luisterde ik naar golfslag, de zee, de onmetelijke zee. Ik vergat de tijd. Het water in de steelpan met eieren verkookte. Dat was niet de bedoeling. De zandloper werd later vervangen door een eierwekker, die rinkelend afliep wanneer de vierenhalf minuut voor een zacht gekookt eitje om was. De tijd , zo blijkt, rent en steigert, speelt spelletjes, verbrokkelt en vervliegt. Mijn tijd aan zee, de doorleefde tijd (la durée van de filosoof Bergson) was niet meetbaar. Alleen in schijn is de tijd lineair en continu, meetbaar in een zandloper of in een ander instrument.
De schrijver Bruno Schulz zegt het nog weer anders. Hij verhaalt van gebeurtenissen die niet passen binnen de Tijd en er gewoon te groot voor zijn. Het maatpak Tijd is te klein voor de verbeelding, die zich afspeelt binnen het menselijk bewustzijn en de werkelijkheid verdicht tot fictie. Schulz gaat aan de haal met de tijd en vertelt de meest fantastische verhalen, vergelijkbaar met die van Edgar Allen Poe, minstens even geheimzinnig. De verhalen van Schulz zijn pure fictie ook al schemert de werkelijkheid er zichtbaar doorheen. De verbeelding onttrekt zijn vertellingen aan de puur locale werkelijkheid, waardoor ze een algemeen menselijk karakter krijgen en tot de wereldliteratuur behoren. Ze zijn gebundeld in de Engelse vertaling als ‘The street of Crocodiles’ en ‘Sanatorium under the Sign of the hourglass’ (de zandloper die een uur ‘loopt’) Alleen al de titels brengen de verbeelding op gang, waarbij nog het mooie is dat in ‘the Street’ geen krokodil te zien is, wel trams, treinen en hoeren, de grauwe industriële stad. Ook het sanatorium is anders, want bevolkt met reeds overleden patienten voor wie alleen de klok is teruggezet en zo in het sanatorium nog even doorleven al moeten ze wel veel slapen. De patienten worden er niet meer beter ondanks het uithangbord ‘Sanatorium.’
 In de vertellingen gebeurt van alles en nog wat, maar de acties zijn beperkt – het is geen James Bond. De verbeelding schiet weliswaar sneller dan onze filmheld, maar het moet gezegd, wij veranderen tegenwoordig zelden meer in een insect of een hond. De verhalen van Schulz zijn dan ook geen ‘stories’ op weg naar de ontknoping, maar vertellingen geschreven vanuit de verbeelding en met inzet van alle zintuigen.   
 De wereld is voor Schulz een Boek, dat hij leest en een labyrinth dat hij verkent. Schulz hypnotiseert de werkelijkheid en zijn taal zorgt binnen een mum van tijd voor de extase, de opvlucht van de fantasie. Hoe alledaags ook, niets, geen vaas, geen boom, geen winkel, geen baal stof, geen lente blijft ‘gewoon’. Lees maar, ‘This is the story of a certain spring that was more real, more dazzling and brighter than any other spring, a spring that took its text seriously: an inspired script written in the festive red of seal wax and of calendar print, the red of colored pencils and of enthusiasm, the amaranth (purper) of happy telegrams from far away...’
  De fabelachtige verhalen van Schulz worden verteld door een jongere ik-persoon (vaak nog een kind) en bewoond door mensen met een kwetsbare identiteit zoals de (oude) vader, die vogels houdt op zolder en gekraak van kasten en meubels hoort, de gehandicapte Eddie op krukken, die ’s nachts op handen en voeten naar het balkon kruipt, Dodo (de naam van de uitgestorven vogel die niet kon vliegen) en hoeren, veel hoeren die het straatbeeld versieren. Deze figuren lijden aan lichamelijke zwakte, aan dreigend verlies van persoonlijkheid. Ze houden zich min of meer krampachtig bij elkaar. Het is alsof ze door hun gestel extra gevoelig zijn voor afbrokkeling van hun identiteit. (de Griekse fabeldichter Aesopus was volgens de overlevering gebocheld.) Sommige van de verhalen zijn doordrenkt van menselijke angst voor het onbekende. Achteraf ziet men hierin graag een soort profetie van het naderende onheil zoals men dat ook bij de verhalen van Kafka meent te herkennen.
 De ik-figuur kijkt met kinderogen naar de werkelijkheid, die binnen enkele zinnen uit zijn voegen breekt, zich vult met groteske beelden, ontsnappingsroutes opent, zich oplost in een regenboog van kleuren, op drift raakt in een onhoudbare storm, zich vermomt als ranonkelachtig seizoen en mensen verandert in insecten, in kleedpoppen van een kleermaker, in een gevaarlijke hondmens, die in een kamer van het sanatorium wordt opgesloten. Geen wonder dat ook animatiefilmmakers (the Brothers Quay), toneelschrijvers en poppenspelers (Byalistok) zich op zijn werk hebben gestort om er weer een eigen vorm aan te geven. De ‘naïeve’ blik van de ik-figuur verscherpt de aanblik van de werkelijkheid en opent de verborgen dynamiek. In de verhalen komt de werkelijkheid tot leven inclusief de dode materie, tafels en stoelen, schroeven en spijkers, vensters en dozen, lades en kastdeuren. Schulz onthult hun geheime krachten. De nacht en de droom, maar ook een album, de verveling, een komeet en verkleurende luchten boven de stad doen hun werk. Alles beweegt en gaat een eigen leven leiden, trekt zich niets aan van ruimte en tijd, die nu gemanipuleerd worden door de opstand der dingen, door de uitgebroken gebeurtenis, die lak heeft aan de wetten van de zgn. dagelijkse werkelijkheid. Het is de verbeelding die zich ontvouwt in de taal en het ontstuitbaar associatievermogen van woorden, die opengaan als ‘waaiers van vuur en zij.’ Men spreekt van poëtisch taalgebruik ,maar dan wel met een intens aards karakter. Of anders gezegd, de magie van zijn taal blijft stevig geworteld in het hier en nu, herkenbaar, concreet, dichtbij en intiem, op zolder met de vogels, in de familie met de dominante dienstbode (Adela), in de straat met de kaneelkleurige winkeltjes en hun balen stof, in het doolhofachtige schoolgebouw.
‘The most fundamental function of the spirit is inventing fables, creating tales’, schrijft Schulz in een essay. In de denkwereld van Schulz mythiseert taal de werkelijkheid, die zich in het gewone bestaan alleen in flarden en fragmenten aan ons toont. De taal herstelt de mythe in de zin dat de flarden weer in een groter geheel worden opgenomen, waarvan de contouren al schrijvend zich beginnen af te tekenen, maar nooit definitief worden als gesloten omlijning. Telkens barsten de dingen uit hun jasje, uit de ogenschijnlijke begrenzing van hun vaste vorm, die tijdelijk is. In feite zijn de dingen voortdurend in beweging en aan verandering onderhevig. Het is de verbeelding die de beweeglijkheid van het ding ont-dekt (bloot legt) en zich richt op die veranderlijkheid. De werkelijkheid is niet alleen instabiel, steeds een momentopname, maar ook een vat van ongekende mogelijkheden. De verbeelding herkent de beweeglijkheid, die de tijdelijke vorm van de realiteit zal doorbreken en veranderen. Schulz tovert tevoorschijn wat er in de verbeelding der dingen verborgen ligt. Hij schrijft niet zozeer bloemrijk als wel suggestief; hij roept op wat reeds in de dingen aanwezig is. Zijn vertellingen ontspringen aan dit vermogen tot verbeelding, geschreven in een roes, bijna een delirium. Zijn taal doet soms even denken aan Lucebert in de dichtbundel ‘van de afgrond en de luchtmens’, waarin een onbegrensde stijgkracht en verbeelding de lezer van de grond tillen.
 De taal wil niet de werkelijkheid verfraaien of betoveren, maar juist ontdoen van het knellend keurslijf dat we haar hebben aangetrokken. In zijn vertellingen bevrijdt Schulz de werkelijkheid uit het harnas en krijgt de lezer zijn kinderogen weer terug. De werkelijkheid is papier-dun, vol vouwen, maar de verbeelding werkt haar op en de taal maakt dit zichtbaar. Niets lijkt wat het is, kun je filosofisch zeggen. Alles verandert voortdurend en ontsnapt aan zijn schijnbaar vaste vorm – zoals een tafelkleed of een servet, water en lucht, verrottende bladeren op de bosgrond, geluiden van de vloer. Vanuit het oogpunt van de verbeelding blijkt elk ding een gebeurtenis, elk voorwerp een uitsnede uit de tijd. De verbeelding schept op die manier ruimte voor omvorming en metamorfose. Schulz verruimt de waarneembare werkelijkheid tot een duizelingwekkend universum, in zijn buitennissigheid vergelijkbaar met de fabelachtige kunst van de Brabantse schilder Jeroen Bosch, waarin ook ongedachte, vreemdsoortige figuren,dieren en monsters op het doek verschijnen. Honkvast als ze waren, had geen van beide kunstenaars behoefte aan verre reizen, want hun verbeelding bracht altijd weer nieuw land in zicht. Het lag voor hun voeten – een kwestie van de tijd stil zetten, zien en verbeelden. De verbeelding gaat op vleugels en toont de rijkdom van de werkelijkheid.
 Wie het bij het lezen van deze fascinerende vertellingen toch nog schort aan verbeelding, wordt geholpen door de tekeningen van Schulz, ook opgenomen in de Penguin Classics uitgave. Daarin zie je bizondere gestalten, meestal gedrongen mannen met korte beentjes, ietwat te groot hoofd en een hoge hoed, een beetje kobold-achtig, soms eenzaam wandelend door een straat dan weer vliegend door een slaapkamer, vrouwen en meisjes altijd groter dan de mannen, zelf bewust, elegant gekleed, heel slank en soms naakt. Het zijn intrigerende figuren, in een wat spookachtige omgeving, fijnzinnige illustraties van de vertellingen, die gek genoeg niet afdoen aan de verbeelding in de tekst. Vlak vóór zijn dood maakte Schulz als gevangene gedwongen door een Nazi-officier voor de kinderkamer van diens zoontje kleurige muurschilderingen, waarin de figuren herkenbaar trekken uit zijn de Joodse omgeving vertonen – waarschijnlijk een laatste vorm van verzet. Toen deze frescoes in 2001 werden ontdekt, zijn ze deels aangekocht en verhuisd naar het Yas Vadshem museum in Israël, dat achteraf overeenstemming bereikte met de regering van Polen en de Oekraïne over langdurige bruikleen.
Derk Cools     
Bruno Schulz, The Street of Crocodiles and other Stories, Penguin Classics, 2008

1 opmerking:

  1. hoe verbeelding meer vertelt over de werkelijkheid dan het zgn realisme in de moderne romans. De verbeelding brengt het 'kijken' aan het licht en niet wat door iedereen wordt gezien.

    BeantwoordenVerwijderen